Een vaccin tegen complotdenken (IV): de eigenaardigheden van ons brein

Complotdenkers zijn vaak marginale figuren. Ze komen zelden hun huis uit. Ze vertrouwen niemand, zelfs niet hun eigen familie. Ze hebben vaak psychische problemen en kunnen zich moeilijk integreren in de samenleving.

Klinkt dit aannemelijk? Toch klopt het niet. De meeste mensen die in complotten geloven, lijden niet aan paranoia[1]. Ze zijn evenmin dom of gek. Complotaanhangers zijn meestal mensen zoals jij en ik, die gewoon meedraaien in de samenleving. Onder hen bevinden zich arbeiders en CEOs, leerkrachten en dokters, hoogopgeleiden en laagopgeleiden, millennials en boomers.   

Het geloof in complottheorieën is dus verre van uitzonderlijk. In principe kan iedereen in het konijnenhol van een complottheorie tuimelen[2]. Dit is op het eerste zicht vreemd. Hoe komt het dat ons brein hier zo vatbaar voor is?

Geloven in denkbeeldige complotten biedt op het eerste zicht weinig voordelen. Wie in een illusie gelooft botst vroeg of laat met zijn neus tegen de realiteit. Toch is het geloof in complotten geen gevolg van een of andere cognitieve of geestelijke afwijking. Het is net een gevolg van de manier waarop een normaal brein werkt.


1. Patronen herkennen

Onze hersenen hebben geen rechtstreekse toegang tot de werkelijkheid. Ze zitten immers gevangen in onze hersenpan waar het pikdonker is. Ons brein maakt een reconstructie van onze omgeving op basis van de informatie die onze zintuigen verzamelen.

Onze hersenen proberen orde te scheppen in de chaos door patronen te ontwaren. Dit is het duidelijkst bij onze visuele waarneming. De visuele cortex[3] ontvangt eerst de “ruwe data” van ons oog, meer bepaald van de kegeltjes en staafjes op ons netvlies.  Vervolgens proberen de gespecialiseerde neuronen in de visuele cortex vormen, kleuren en contrasten te onderscheiden. Tot slot worden deze vormen vergeleken met patronen uit ons geheugen. Zo zijn we in staat om voorwerpen te herkennen en te categoriseren (‘ik zie een stoel voor mij’).

Onze hersenen slagen erin om in willekeurige vlekken vastomlijnde objecten te zien, o.a. door perspectief te creëren. Wie goed kijkt, kan in deze afbeelding een dalmatiër zien. Eens je de dalmatiër ziet, is het onmogelijk om hem niet meer te zien.

Onze hersenen denken in categorieën. Ze maken een onderscheid tussen een mens en een gebruiksvoorwerp, tussen een plant en een dier, tussen een gevaar of iets onschuldigs. Bij elke categorie hoort een verwachtingspatroon: een dier zal niet plots beginnen botsen als een bal, een plant zal niet beginnen praten, een kind zal niet in de lucht beginnen zweven. Als dingen die we waarnemen zich plots op een onverwachte manier beginnen te gedragen – bijvoorbeeld een blad dat begint te ‘wandelen’ – dan schrikken we op. Onze hersenen zijn eerst in de war, maar geven daarna snel een nieuwe interpretatie: ‘dit is geen echt blad, maar een insect dat lijkt op een blad’. Op zo’n moment wordt het duidelijk dat onze hersenen de omgeving constant interpreteren en herinterpreteren, een proces dat grotendeels onbewust verloopt. Onze hersenen zijn voortdurend bezig met het zoeken naar patronen. Het vermogen om patronen te herkennen is niet uniek voor de mens. Dieren kunnen het ook. Maar wij zijn wel de onbetwiste kampioen. Het is de basis van ons succes: zonder patroonherkenning zouden we geen taal, muziek of wetenschap kunnen creëren.

Er is echter ook een nadeel verbonden aan ons talent voor patroonherkenning. Soms gaan onze hersenen in overdrive, met als gevolg dat we patronen zien waar ze eigenlijk niet zijn. Dit kan leiden tot bijgeloof en complotdenken. De beroemde Britse complotdenker David Icke is een goed voorbeeld. Overal waar hij kijkt ziet hij verdachte patronen. Volgens hem communiceert ‘de elite’, die verantwoordelijk is voor alle kwaad in de wereld, in een geheime taal.  De volgende tekens trekken daarbij zijn aandacht: driehoeken, vierkanten, kubussen, piramiden, het getal 13, het getal 6, vuur, hoornen, kruisen, pilaren, de planeet Saturnus, mensen met een ooglapje en mensen die hun tong uitsteken. De vraag is dus eerder: waar ziet David Icke geen verdacht patroon in?

David Icke op een lezing (2013). Bron: Wikimedia

2. Verbanden leggen: ‘valse positieven’ en ‘valse negatieven’

De Amerikaanse scepticus Michael Shermer noemt ons brein een ‘belief engine’, een ‘opvattingenmachine’[4]. Onze hersenen zijn voortdurend bezig met opvattingen te vormen over de wereld. Dat doen ze door causale verbanden te leggen tussen gebeurtenissen. Die verbindingen tussen oorzaak en gevolg kunnen denkbeeldig of echt zijn. Als X wordt gevolgd door Y, dan gaan we er vaak vanuit dat X de oorzaak is van Y. We zien bijvoorbeeld elk jaar rond maart dat er veel zwaluwen terugkeren. Dit leidde vroeger tot het volkse bijgeloof dat terugkerende zwaluwen ‘de lente meebrachten’. In werkelijkheid is het causale verband natuurlijk omgekeerd: de zwaluwen keren terug omdat ze weten dat de lente in de noordelijke hemisfeer weer is aangebroken.

Als we verbanden leggen die er niet zijn dan spreken we over ‘valse positieven’[5]. We denken bijvoorbeeld dat er een krokodil in het water ligt maar eigenlijk is het een boomstam. Oef, vals alarm!

Er bestaan ook ‘valse negatieven’: we zien geen verband, terwijl er juist wel één is. We denken dat we gewoon een beetje slaperig zijn en dat er niks aan de hand is, maar eigenlijk wordt onze slaperigheid veroorzaakt door het koolstofmonoxidegas uit de kachel. We worden langzaam vergiftigd zonder dat we het door hebben.

Gelukkig zijn onze hersenen meestal wel alert op gevaar. Dat is logisch vanuit evolutionair oogpunt. Onze evolutionaire voorouders moesten voortdurend op hun hoede zijn voor gevaren, niet alleen voor roofdieren of vergif, maar ook voor andere mensen. Als er achter je rug plannen werden gesmeed, dan moest je dat snel in de mot hebben. Een gezonde achterdocht was van levensbelang.  

Da’s wellicht één van de redenen waarom we zo’n gevoelige detector hebben voor roddels. Iedereen kent wel het gevoel wanneer je een kamer binnenstapt en het gesprek plotseling stilvalt. Je denkt automatisch: “Zouden ze over mij bezig geweest zijn?”

Create meme "futurama Wallpaper, futurama fry , futurama suspicious" -  Pictures - Meme-arsenal.com

Meestal zien we spoken (een ‘vals-positief’ dus), maar soms zit ons buikgevoel wel juist: je vrienden zijn écht aan het kwaadspreken over jou. Dat is een alarmerend en pijnlijk feit, maar de situatie waarin we ons van geen kwaad bewust zijn – een vals negatief dus – zou nog erger zijn. Als we in onwetendheid zouden verkeren, zouden we blijven investeren in een vriendschap die eigenlijk niet oprecht is.

Er is een belangrijke asymmetrie tussen vals-positieven en vals-negatieven. Vals-positieven zijn doorgaans minder kostbare vergissingen dan vals-negatieven. Dat is de dieper liggende evolutionaire reden waarom mensen liever iets té argwanend zijn dan té naïef. En dus zullen mensen af en toe complotten zien waar er geen zijn.

3. Het was de bedoeling

Naast patronen herkennen, verbanden leggen en waakzaam zijn, is er nog iets typisch voor de menselijke psychologie. Dat wordt duidelijk als we wat vragen stellen aan een kleuter. Als je vraagt ‘Waarom schijnt de zon?’, dan zal een kleuter vaak antwoorden: ‘De zon schijnt om ons warm te houden’. In de wereld van een kind heeft alles in de natuur een doel [6]. Rotsen hebben een scherpe rand zodat beren zich kunnen krabben. De regen valt zodat we kunnen drinken. Bomen zijn er om ons schaduw te geven, enzovoort. Kinderen denken dus dat levenloze materie, zoals de zon, de regen of rotsen, ook een doel of een bedoeling kunnen hebben. De ‘intentiedetector’ in hun brein werkt net iets té goed. Dat blijkt ook uit de manier waarop ze kijken naar reflexmatig gedrag, zoals niezen of geeuwen. Als je vraagt waarom zijn mama niest dan zal een kleuter antwoorden: ‘Omdat mijn mama dat wou.’

De neiging om intenties te zoeken is iets wat kinderen automatisch doen. Ze moeten het niet aanleren, ze kunnen het uit zichzelf. Op school leren kinderen om hun intentiedetector ‘af te zetten’ als het gaat over levenloze materie. Sterren, wolken en rotsen zijn ontstaan uit fysische processen en hebben geen gedachten of bedoelingen.

Toch blijft de intentiedetector zeer actief, ook als we volwassen zijn. In een klassiek experiment uit 1944 toonden de psychologen Heider en Simmel een filmpje aan een aantal proefpersonen. Je ziet drie geometrische figuren – cirkeltjes en driehoekjes – die allerlei bewegingen maakten (het filmpje duurt iets meer dan een minuut en je kan het hier bekijken). Zowat elke proefpersoon interpreteerde het filmpje als een verhaal met personages. De een zag er een pestkop in die kinderen op een speelplein aan het treiteren was. Een andere proefpersoon zag een man die zijn vrouw en haar geheime minnaar op heterdaad betrapte. Nog een ander zag een heks die twee kinderen in de val wilde lokken. Slechts een kleine minderheid beschreef het filmpje louter als geometrische figuren die in verschillende richtingen bewogen.

Uit het experiment blijkt dus dat onze intentiedetector in ons brein nooit stilzit. We gaan voortdurend op zoek naar bedoelingen, naar personen en motieven, naar helden en schurken. Zelfs als we gewoon naar een paar bewegende veelhoeken aan het kijken zijn. Dit verklaart wellicht waarom het geloof in onzichtbare wezens, zoals geesten, engelen, duivels en goden zo populair is. Het verklaart ook waarom het zo verleidelijk is om achter schokkende gebeurtenissen het werk van mensen met slechte bedoelingen te zien.

4. Zij denken zoals ik

Op zich is een neiging om intenties achter alles te zoeken onvoldoende om de populariteit van complottheorieën te verklaren. Een complot veronderstelt immers een slechte bedoeling en hoe weten we of anderen te goeder of te kwader trouw zijn? 

Vaak kunnen we niet goed inschatten wat nu precies iemands intentie is. Stel je ziet een jongen verschrikt uit een huis lopen, gevolgd door zijn grotere broer die achter hem aan rent. Achtervolgt de oudere broer hem om hem een lesje te leren? Of heeft de jongere broer een grap uitgehaald en is de achtervolging een onschuldig spel? Op het eerste zicht is het niet duidelijk.

Daarom gebruiken we vaak een hulplijn om andermans gedrag te interpreteren: ons eigen brein. We projecteren onszelf op de ander: wat zouden wij zelf denken, voelen of doen in haar situatie? Vaak zullen we ervan uitgaan dat veel mensen dezelfde voorkeuren en opinies hebben als wij. Wie houdt van hockey, Franse films en sushi denkt vaak dat anderen dat ook leuk vinden. Hoe kan je Franse films nu niét leuk vinden? Maar in realiteit verschillen anderen vaak meer van ons dan we denken.

Die neiging om te denken dat anderen op dezelfde manier in elkaar zitten als wij speelt een belangrijke rol bij complottheorieën. De psychologen Karen Douglas en Robbie Sutton vroegen aan mensen om zich in de schoenen van de Amerikaanse regering te plaatsen tijdens de jaren 60, midden in Koude Oorlog. Het scenario ging als volgt:

“Wij, Amerikanen willen als eerste op de maan geraken, voor de Sovjetunie ons voor is. Maar we hebben berekend dat een ruimtemissie naar de maan miljarden dollars kost. De Russen hebben reeds de Spoetnik en de eerste man in de ruimte geschoten. We moeten iets doen! Ben jij bereid om samen met andere overheidsagenten de maanlanding in scène te zetten op een filmset in de woestijn van Arizona?”

De meeste mensen antwoorden ‘nee’ op deze vraag, maar sommigen waren wel bereid om de maanlanding in scène te zetten. Het opmerkelijke was dat die laatsten ook vaker complotten geloofden. Dit is opnieuw een mooi voorbeeld van projectie: mensen die zich goed kunnen inbeelden dat ze zelf aan een samenzwering zouden deelnemen, gaan er sneller van uit dat anderen daar ook toe bereid zijn.

De Ku Klux Klan op een bijeenkomst in Chicago in 1920, bron: Wikimedia

Hier zijn ook veel historische voorbeelden van. De leden van de Ku Klux Klan dachten dat Amerikaanse katholieken stiekem wapens stockeerden in kerken om in de afzienbare toekomst een oorlog te beginnen tegen de protestanten. De paus was volgens de Klan-leden van plan om naar de V.S. te komen en een staatsgreep te plegen. Vervolgens zou hij het katholicisme als staatsgodsdienst instellen en protestantse Amerikanen onderdrukken.

Ironisch genoeg begon de Ku Klux Klan zelf steeds meer op een kwaadaardig geheim genootschap te lijken, met een strakke hiërarchie en geheime initiatierituelen. Ze droegen witte gewaden en maskers, kwamen bijeen in groep om samen te zweren en pleegden lynchpartijen op Afro-Amerikanen.

Hetzelfde patroon van complotdenkers die zelf beramers van complotten worden, zien we bij sommige politici. Richard Nixon stond bekend om zijn paranoïde trekjes én beraamde zelf een complot door afluisterapparatuur te laten plaatsen in het Democratisch hoofdkantoor in het Watergate Hotel. Veel dictators uit het Midden-Oosten waren even paranoïde. Ze waren voortdurend op hun hoede voor de geheime plannen van hun vijanden. Maar zelf waren ze ook niet vies van een samenzwering meer of minder[7]. De historicus Daniel Pipes merkt bijvoorbeeld op dat er bijzonder veel tegenstanders van het Hoessein-regime omkwamen in auto-ongelukken of andere dodelijke “accidenten”.

Conclusie

Wij mensen zoeken voortdurend naar patronen en verbanden in onze omgeving om de wereld beter te begrijpen. Onze aandacht wordt het meest getrokken door gevaren. Niet alleen voor roofdieren en giftige planten zijn gevaarlijk, ook andere mensen kunnen een bedreiging vormen voor ons. Dat maakt dat we van nature nogal wantrouwig zijn ten opzichte van onbekenden. We proberen te achterhalen wat ze van zin zijn.

Soms zien mensen een complot waar er geen is (een vals positief). Soms zijn ze zich van geen kwaad van bewust terwijl anderen zich tegen ons keren (een vals negatief). Vanuit evolutionair perspectief was het voordelig om een beetje te paranoïde te zijn. Maar in de moderne tijd kan die waakzaamheid doorschieten, waardoor mensen in grootschalige complotten beginnen te geloven. Ze tuimelen in een konijnenhol waar ze nog moeilijk uit geraken.

VOETNOTEN


[1] Mensen met een paranoïde persoonlijkheidsstoornis wantrouwen niet alleen de overheid, maar ook hun familie, vrienden, collega’s en zelfs hun eigen partners. Ze interpreteren onschuldige of neutrale gebaren als vijandig. Door hun wantrouwen naar iedereen wordt hun normaal functioneren ernstig beperkt. Complotaanhangers hebben meestal wel vertrouwen in hun naaste omgeving, ze hebben een job en functioneren meestal normaal. Naarmate ze dieper verstrikt raken in het complotdenken ontstaan er wel vaak conflicten tussen hen en hun vrienden en familie.

[2] Het konijnenhol verwijst naar het boek Alice in Wonderland van Lewis Carroll. Het hoofdpersonage Alice valt in een konijnenhol en komt zo terecht in een nieuwe, bizarre wereld waar de dieren spreken en de wetten van de logica op hun kop staan.

[3] De cortex is het buitenste laagje van onze hersenen, de zogenaamde ‘grijze cellen’. De visuele cortex bevindt zich achteraan ons hoofd, in de occipitale hersenlob.

[4] Michael Shermer (2012) – The Believing Brain

[5] De begrippen ‘vals positief’ en ‘vals negatief’ komen uit de statistiek en worden vaak gebruikt bij medische tests. Een voorbeeld van een vals positieve test is een zwangerschapstest die zegt dat je zwanger bent (positief), terwijl je dat in werkelijkheid niet bent. Een test is vals negatief als hij zegt dat je niet zwanger bent, terwijl je het wel bent.

[6] Dit wordt ook wel een teleologisch wereldbeeld genoemd, naar het Griekse woord ‘telos’, oftewel ‘doel’.

[7] Daniel Pipes (1996), The Hidden Hand, p.25

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *