Een vaccin tegen complotdenken (II): echte versus denkbeeldige complotten

Een complottheorie is een geloof in een samenzwering waarvoor onvoldoende bewijs is. De samenzwering heeft dus waarschijnlijk nooit plaatsgevonden. Maar uiteraard bestaan er ook échte complotten en samenzweringen. Hier zijn verrassend veel voorbeelden van te vinden in de geschiedenis.

Een kleine bloemlezing: de moord op aartshertog Frans Ferdinand gepleegd door Gavrilo Princip in 1914 (de gebeurtenis die uiteindelijk aanleiding gaf tot de Eerste Wereldoorlog), de mislukte moordpoging op Hitler door kolonel Von Stauffenberg, de moord op Patrice Lumumba, het Watergateschandaal onder president Nixon en het verzwijgen van kindermisbruik in de Kerk. De aanslagen van 11 september waren ook een samenzwering, namelijk van 19 terroristen van Al Qaeda, die verschillende vliegtuigen kaapten en twee ervan in de WTC-torens boorden. Al deze samenzweringen zijn echt gebeurd en hebben het verloop van de geschiedenis onomkeerbaar veranderd.

Gavrilo Princip beraamde samen met een aantal andere Servische nationalisten de moord op de Oostenrijk-Hongaarse troonopvolger Frans Ferdinand. Een voorbeeld van een echt complot met verstrekkende gevolgen. (bron: Wikimedia Commons)

Mensen vinden complotten angstaanjagend, maar tegelijk ook spannend en fascinerend. Het is dus geen wonder dat onze populaire cultuur ervan doordrongen is. Veel Hollywoodfilms gaan over samenzweringen, zowel fictieve als waargebeurde. Een voorbeeld van dat laatste is de film All The President’s Men, die het verhaal vertelt van de journalisten Woodward en Bernstein die het Watergateschandaal aan het licht brachten.

Maar films met fictieve complotten vormen de overgrote meerderheid: denk bijvoorbeeld aan de Bond-film Spectre (2015), waarin James Bond strijdt tegen een schimmige criminele organisatie die de wereld wil domineren. Er zijn nog tal van andere voorbeelden: The Usual Suspects (1995), The Bourne Trilogy (2002, 2004, 2007), The Da Vinci Code (2006) en The Matrix (1999). Ook in de literatuur zijn complotten een populair thema. Politieke dystopieën zoals 1984 van George Orwell en Brave New World van Aldous Huxley vormen een grote inspiratiebron voor complotdenkers. Beide verhalen waarschuwen voor de greep die totalitaire regimes over mensen hebben.   

Big Brother (George Orwell) - Wikipedia
Big Brother is de dictator uit de roman 1984 van George Orwell (geschreven in 1948). De partij van Big Brother houdt de bevolking in het oog door overal camera’s te hangen, ook in de woningen. Al wie tekenen van ontrouw aan de partij vertoont, wordt opgepakt, ondervraagd en desnoods geliquideerd. (bron: Wikimedia Commons)

Doordat complotten deel uitmaken van onze cultuur en geschiedenis, is het dus logisch dat veel mensen de overheid of andere machtige instanties niet helemaal vertrouwen. Dat hoeft niet per se iets negatiefs te zijn. Als mensen waakzaam zijn en kritische vragen stellen, komen wantoestanden en schandalen sneller aan het licht. Daarom is het onverstandig om élk vermoeden van een samenzwering af te doen als een complottheorie. Soms zijn er wel degelijk goede redenen om te denken dat er iets niet pluis is.

Zelfs een foute samenzweringstheorie kan zijn nut bewijzen, omdat ze de overheid onder druk zet om transparanter te zijn. De claim dat 9/11 een inside job was – de Amerikaanse overheid zou zelf de WTC-torens hebben opgeblazen met explosieven – werd door veel mensen geloofd. De Amerikaanse overheid wilde de theorie weerleggen, maar dat kon ze enkel door het publiek meer informatie te verschaffen over wat er op 11 september precies gebeurd was. Ook de samenzweringstheorieën over de moord op John F. Kennedy zorgden direct of indirect voor meer transparantie. De film JFK (1991), geregisseerd door Oliver Stone, suggereerde dat Lee Harvey Oswald niet de werkelijke moordenaar was, maar dat de geheime diensten en toenmalig vicepresident Lyndon B. Johnson erachter zaten. De controverse rond de film zorgde ervoor dat de geheime overheidsdocumenten over de moord op JFK vervroegd werden vrijgegeven.

Wie draagt de last van het bewijs?

Sommige samenzweringstheorieën lijken achteraf te kloppen, andere theorieën zijn erg onwaarschijnlijk. De vraag is dan: waar ligt de grens tussen terechte argwaan en overdreven complotdenken? Het korte antwoord is: bewijs. Voor samenzweringen die echt hebben plaatsgevonden is er dankzij doorgedreven onderzoek veel bewijs gevonden. Voor complottheorieën daarentegen is er nauwelijks of geen bewijs.

In de wetenschap is bewijsmateriaal essentieel om theorieën te ondersteunen. Zonder bewijs kan je niet verwachten dat andere wetenschappers je geloven. Belangrijk daarbij is het concept van de bewijslast. Het bewijs moet proportioneel zijn met de waarschijnlijkheid van je bewering. Je kan het vergelijken met een weegschaal. Wie een buitengewone, ‘zware’ bewering doet, moet met buitengewone, ‘zwaarwegende’ bewijzen komen. Stel bijvoorbeeld dat iemand zegt: ‘De overheid doet fluoride in ons drinkwater om ons dom en volgzaam te maken.’ Je kan niet beweren: ‘Ik weet gewoon dat ze niet te vertrouwen zijn, ik voel het gewoon.’ Je gevoel of je intuïtie is geen betrouwbare bron van kennis, want intuïties verschillen van mens tot mens. Hoe bepalen we immers wiens intuïtie de juiste is?

Copyright Pixabay

Je kan evenmin beweren: ‘Ik kan misschien niet bewijzen dat de overheid ons dom wil houden, maar jij kan evenmin bewijzen dat het niét zo is.’ Dit is een manier om de bewijslast om te keren. Dat is een vorm van valsspelen omdat het zeer moeilijk – zo niet onmogelijk – is om te bewijzen dat een gebeurtenis X niet heeft plaatsgevonden. We hebben allemaal slechts toegang tot een klein stukje van de werkelijkheid. Hoeveel kennis mensen ook verzamelen, er zullen altijd dingen zijn die we niet weten. Daarom kunnen we dus ook veel dingen niet met absolute zekerheid uitsluiten. Vandaar de Engelse zegswijze: ‘You can’t prove a negative’.

Wat kunnen we dan wel doen om meer zekerheid te krijgen? Om niet te blijven steken in giswerk en speculatie, moeten we bewijzen verzamelen over wat wél echt bestaat of heeft plaatsgevonden. Een cruciale vraag hierbij is: wat is sterk en wat is zwak bewijs? Welke criteria moeten we daarvoor hanteren? Op deze vraag kom ik later nog terug. Voorlopig kunnen we het principe hanteren van de beroemde scepticus Christopher Hitchens (ook wel Hitchens’ scheermes genoemd):  “Wat zonder bewijs wordt beweerd, mag zonder bewijs worden afgewezen”.

Het gebrek aan bewijs is niet het enige wat er schort aan samenzweringstheorieën. Complotdenkers bezondigen zich vaak aan denkfouten en biases (vooringenomenheden). Het is nuttig om die denkfouten onder de loep te nemen, omdat het vaak om uitvergrotingen gaat van denkfouten die iedereen wel eens maakt. Zoals ik in mijn vorige post benadrukte zijn complotdenkers vaak geen rare snuiters of psychiatrische patiënten. In ieder van ons zit ergens wel een complotdenker. In het volgende deel zal ik de denkfouten belichten die typerend zijn voor complotdenken, zodat er op tijd alarmbellen afgaan als we ze maken. 

Bronnen

Brecht Decoene (2016), Achterdocht, tussen feit en fictie. Academic and Scientific Publishers.

Debat tussen Coen Vermeeren en Maarten Boudry over 9/11. Universiteit Gent, 18 maart 2018. URL: https://www.youtube.com/watch?v=mqrPhltmP-U&t=1s

3 reacties

    1. Leuk te horen, Bruno! Ik hoop dat je er iets aan hebt :-). Ik denk dat ik in totaal vijf delen zal schrijven. Het volgende deel zal over de psychologie van complotdenken gaan. Meer bepaald: wat trekt mensen zo aan in complotten?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *