Ecomodernisme en het klimaat: tussen pessimisme en hoop

Amazon-river-delfin-fb-banner
Ecomodernisten worden vaak techno-optimisten genoemd. In het vorige stuk betoogde ik reeds dat ecomodernisten niet enkel op technologie rekenen, maar ook op verregaande natuurbescherming. Regenwouden, oceanen, moeraslanden, veengebieden…komen onder druk te staan door menselijke activiteiten. De internationale gemeenschap moet erover waken dat deze ‘carbon sinks’ zoveel mogelijk intact blijven.
Ook het etiket ‘optimisme’ is nogal ongenuanceerd. Laten we even kijken naar een aantal ecomodernistische uitgangspunten in verband met de klimaatopwarming[1]:

  1. De meeste ecomodernisten gaan ervan uit dat we de 2 gradendoelstelling van het IPCC niet zullen halen. In 1992 werd op de Rio-conferentie afgesproken dat alle landen hun uitstoot zouden verminderen. Van die belofte kwam evenwel niks in huis. Integendeel: sinds de Rio-top stoot de wereld per jaar 60% meer broeikasgassen uit dan in 1992. Voorlopig blijven wereldwijde emissies stijgen, gemiddeld met 2% per jaar. Het gaat dus duidelijke de verkeerde kant op.
  2. Ecomodernisten geloven niet dat bestaande technologieën zullen volstaan om de klimaatopwarming voldoende tegen te gaan. Er zijn nog veel belangrijke innovaties nodig om de industrie, landbouw en transport te decarboniseren. Ook negatieve emissie-technologieën, zoals ‘carbon capture and storage’, staan nog niet op punt.
  3. Het is evenmin waarschijnlijk dat westerlingen of andere gemeenschappen bereid zullen zijn om vlees, zuivelproducten, auto’s, vliegreizen, staal, cement… grotendeels op te geven.

De reden waarom ecomodernisten toch te boek staan als optimisten heeft vooral te maken met hun vertrouwen in wetenschap, technologie en vooruitgang. Wie de boeken van Hans Rosling, Johan Norberg, Angus Deaton kent, weet dat vooruitgang geen fictie is, maar iets dat onderbouwd is door een hele resem historische data en feiten. Uitvindingen zoals vaccins, antibiotica, riolering, elektriciteit, wasmachines en microchips hebben het leven aangenamer, gezonder en veiliger gemaakt. Veel mensen vinden die technologie ondertussen volledig vanzelfsprekend, maar dat is ze uiteraard niet.
Ook op vlak van milieu speelden technische vindingen een belangrijke, maar ondergewaardeerde rol. Zo hebben innovaties in de chemische industrie verschillende vormen van vervuiling kunnen terugdringen: lood werd uit benzine verwijderd, CFK’s werden vervangen door minder schadelijke koelgassen (om de ozonlaag te beschermen) en stikstofoxides in uitlaatgassen werden weggezuiverd door katalysatoren.
Dit geloof in vooruitgang is geen religieus geloof. Er is geen garantie dat er vanaf nu altijd op elk vlak vooruitgang zal worden geboekt. Het is evenmin zeker dat de mensheid in staat is om elk probleem of elke uitdaging het hoofd te bieden.
Ecomodernisten erkennen ook dat technologie een keerzijde kan hebben. Hoewel technologieën veel oplossingen kunnen bieden, hebben ze vaak ook onbedoelde gevolgen, iets waar de groene beweging vaak terecht op heeft gewezen. Fossiele brandstoffen zijn daar uiteraard het beste voorbeeld van.
Ecomodernisten verschillen echter van groenen in de afweging die ze maken. Volgens het ecomodernisme weegt het risico op schadelijke neveneffecten doorgaans niet op tegen de voordelen die revolutionaire technologie biedt.
Het bilan van 30 jaar klimaatbeleid
Wat kunnen we zeggen over het klimaatbeleid van de voorbije decennia? Sommigen zeggen dat landen de voorbije 30 jaar weinig of geen inspanning hebben gedaan om hun uitstoot te verminderen. Dat is niet helemaal juist. Zo zijn China en Duitsland erin geslaagd om zonne- en windenergie een serieuze boost te geven. Verschillende landen – zoals het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Italië en Canada –  hebben besloten om steenkool snel uit te faseren. Sinds de schaliegasboom is ook in de V.S. de steenkoolindustrie aan een diepe duik bezig, waardoor de totale Amerikaanse uitstoot is gedaald. In de transportsector is de brandstofefficiëntie van auto’s, vrachtwagens, schepen en vliegtuigen er sterk op vooruitgegaan. De industrie en energiesector, tot slot, hebben ook hun steentje bijgedragen door efficiëntiewinsten te boeken.
Helaas is het absoluut niet genoeg, iets waar zowel Greta Thunberg als het IPCC terecht op blijven hameren. Het huidige tempo van decarbonisering is veel te traag. Dit heeft onder andere te maken met de ongeziene groei van de Aziatische economieën vanaf de jaren 80. In China en India – samen goed voor bijna 3 miljard mensen – is de vraag naar steenkool door het dak gegaan. De steenkoolconsumptie in China is de voorbije 20 jaar bijna verdrievoudigd. Het aandeel van China in de wereldwijde uitstoot is bijgevolg gestegen van 10% in 1990 naar 27% vandaag. Ook in India is steenkool al jaren aan het groeien.
Het beeld in westerse landen is iets positiever: daar daalt de uitstoot. Maar de uitstoot per inwoner was daar al torenhoog. Daarenboven gaat de afname niet snel genoeg. Een gemiddelde Amerikaan stoot nog steeds 8 keer meer uit dan een gemiddelde Indiër. Een gemiddelde West-Europeaan 5 keer meer. De uitstoot van landbouw, industrie en transport blijft erg hoog. Qua elektriciteit is het beeld positiever: 55% van de stroom in de EU is afkomstig uit koolstofarme bronnen.
 
Een blik op de toekomst
Wie naar de curve van de wereldwijde emissies kijkt van de laatste decennia ziet een onheilspellende berg opdoemen met een piek die gestaag hoger klimt. Die berg moet zo snel mogelijk naar beneden. Door de toenemende wereldwijde vraag naar voedsel, energie en grondstoffen wordt dit een Herculesopdracht. In 2050-60 moet de wereld landen op ‘netto nul’ emissies van broeikasgassen. In 2030 zou de uitstoot al met bijna de helft gedaald moeten zijn om veilig onder de tweegradengrens te blijven. De kans is klein dat dit zal gebeuren. Eén cijfer om te illustreren hoe moeilijk de opgave is: om deze klimaatdoelstelling te halen zou er de komende 20 jaar elke dag ergens een steenkoolcentrale moeten sluiten.
The Economist - wereldwijde emissies.png
Als je het bovenstaande in ogenschouw neemt, kan je moeilijk optimistisch zijn. Moeten we dan wanhopen of de handdoek in de ring gooien? Neen, verre van. Hoewel we waarschijnlijk de tweegradengrens zullen overschrijden, maakt het een enorm verschil of we afklokken op 2.5°C of 3.5°C graden in 2100. Vanaf 4 graden krijgen we daadwerkelijk apocalyptische[3] toestanden. De meeste klimaatmodellen voorspellen dat we in 2100 niet boven de 4 graden zullen komen, tenzij we helemaal niks doen.
Om de opwarming tot ‘slechts’ 2 à 2.5 °C te beperken zullen er enorme investeringen moeten gebeuren in de uitbouw van schone energie, in adaptatie en in onderzoek en ontwikkeling. Onderzoek en ontwikkeling is nodig om industrie, landbouw en de luchtvaart te decarboniseren. We moeten manier vinden om staal, cement en aluminium koolstofarm te produceren. Ook zullen grote natuurgebieden – oceanen, regenwouden, moeraslanden – beschermd en hersteld moeten worden. Vervolgens zullen we op tijd technologie moeten ontwikkelen om massaal veel CO2 uit de lucht te halen, de zogenaamde negatieve emissie-technologieën. Tot slot zullen er oplopende koolstoftaksen nodig zijn om CO2-rijke consumptie te verminderen. Al deze zaken zullen moeten gebeuren. We hebben niet langer de luxe om bepaalde oplossingen uit te sluiten.
We leven niet in een ideale wereld dus de kans is reëel dat dit proces hobbelig zal verlopen als gevolg van politieke, economische of technologische hindernissen. In dat geval zal het nodige niet gebeuren en zal de opwarming bijgevolg verder klimmen richting 3°C. In zijn boek Six Degrees (2008) schetst Mark Lynas hoe zo’n drie gradenwereld er ongeveer zou uitzien. Spoiler: het is er niet prettig toeven. Bij zoveel opwarming zullen droogtes, hittegolven, overstromingen, stijgende zeeniveaus, een gebrek aan drinkwater en voedsel,…op bijna alle plaatsen in de wereld hun tol eisen. Diersoorten zouden nog sneller uitsterven dan nu al het geval is.
Deze spiraal van ellende zou miljoenen dodelijke slachtoffers eisen en de levenskwaliteit van iedere aardbewoner zwaar aantasten. De aanpassing aan de klimaatopwarming zal in een driegradenwereld ondoenbaar worden voor ontwikkelingslanden aangezien zij, door een wrede speling van de lot, de zwaarste klappen zullen krijgen. Diepe economische crises en politieke chaos zullen er nog bovenop komen.
Het noodscenario
De vraag is of ontwikkelingslanden wel zullen wachten totdat het horrorscenario van 3°C werkelijkheid is geworden. Een globale opwarming van 2°C zal hen al meer dan genoeg op de proef stellen. Ecomodernist Jonathan Symons voorspelt in zijn boek Ecomodernism (2018) een mogelijk toekomstscenario. In de jaren tussen 2040-2050 zouden landen die dichtbij de evenaar liggen en die het zwaarst getroffen worden door klimaatopwarming kunnen besluiten dat ‘geoengineering’ noodzakelijk is[4]. Geoengineering houdt in dat de mensheid probeert om de samenstelling van de aardse atmosfeer te veranderen met grove middelen. Een geoengineering-coalitie van ontwikkelingslanden kan bijvoorbeeld met vliegtuigen grote ladingen sulfaat-of krijtdeeltjes de atmosfeer in spuwen om het zonlicht gedeeltelijk te blokkeren. Deze landen zouden zich wellicht niet laten tegenhouden door veto’s van de rijke landen. Door hun groter historisch aandeel in de opwarming kunnen hebben rijke landen immers weinig morele autoriteit.
De effecten van dit soort ‘zonnebeheer’ (solar geoengineering) op specifieke regio’s zijn niet goed te voorspellen, maar het staat wel vast dat je er de globale opwarming mee ‘on hold’ zet. Dit weten we omdat de natuur zelf al zo’n experiment heeft uitgevoerd. In 1991 barstte de Pinatubo-vulkaan op de Filippijnen uit. Hierdoor werden miljoenen tonnen zwaveldioxide de stratosfeer ingepompt. De gehele aarde koelde toen tijdelijk 0.6°C af. Als we door middel van zonnebeheer zelf de aarde kunnen afkoelen met 1°C of 2°C heeft dit één groot voordeel: we kopen extra tijd om de wereldeconomie te decarboniseren. We zullen tijdens het zonnebeheer onze emissies verder moeten afbouwen en wel zo snel mogelijk. Een van de redenen hiervoor is dat de oceaanverzuring door het hoge CO2-gehalte in de lucht gewoon zal doorgaan. Dit is een ramp voor schelpdieren en fytoplankton, die de basis van de voedselpiramide vormen in de oceanen. Hun kalkskeletten verzwakken naarmate de zuurtegraad van het water toeneemt.
Geoengineering is voorlopig nog taboe binnen de internationale gemeenschap, maar dat zal niet lang meer zo blijven. Het is dus verstandig om er zorgvuldig onderzoek naar te doen zodat we tenminste weten wat we kunnen verwachten als het ooit nodig is. Ook geopolitieke simulaties zijn van belang. De internationale spanningen zullen onvermijdelijk toenemen. Als het ene land zonlicht blokkeert kan dat nadelige effecten hebben voor een land aan de andere kant van de wereld. Als landen plots stoppen met de sulfaatdeeltjes te verspreiden, zou de opwarming plots terugkomen met alle gevolgen van dien. Toch moeten we rekening houden met dit noodscenario.
Al deze feiten en toekomstprojecties over het klimaat kunnen leiden tot somberheid of zelfs defaitisme. Die houding is echter onnodig en ook contraproductief. De mens is een ongelooflijk inventief wezen. Ook al zullen we het klimaatprobleem de komende honderd jaar niet ‘oplossen’, we kunnen het wel beheersbaar houden als we ons verstand gebruiken. Bovendien kunnen we op andere vlakken nog steeds veel vooruitgang boeken. Als we het goed aanpakken kunnen ziekten zoals kanker, AIDS, malaria deze eeuw definitief van de aardbol verdwijnen. Extreme armoede en honger kunnen verder dalen mits de juiste maatregelen. Ontwikkelingslanden die groeien zullen betere infrastructuur kunnen bouwen en zo beter beschermd zijn tegen klimaatschokken. Er is dus geen reden om fatalistisch te zijn. Maar er is ook geen tijd meer om achterover te leunen. De urgentie van het klimaatprobleem moet bij iedereen doordringen: er is geen tijd meer te verliezen.
 
 

NOTEN

[1] Naast klimaatopwarming zijn er nog andere belangrijke milieuproblemen: de dalende biodiversiteit, de verzuring van de oceanen, de verstoring van de stikstofcyclus… Maar om niet te ver uit te weiden focus ik vooral op klimaatopwarming, wat volgens mij het meest urgente probleem is.
[2] Dit zou het zogenaamde ‘intermittentieprobleem’ oplossen. Doordat de zon ’s nachts niet schijnt en de wind niet altijd waait, kan hernieuwbare energie niet altijd in de elektriciteitsvraag voorzien. Dit zou verholpen kunnen worden met een hypergrid of wereldwijd elektriciteitsnet. Hiervoor zou men een gigantisch netwerk  van hoogspanningskabels moeten bouwen dat hele continenten overspant. Aangezien zon en wind altijd wel ergens beschikbaar zijn op aarde, zouden er binnen zo’n hypergrid in principe geen stroomtekorten kunnen ontstaan.
[3] De winst in efficiëntie ging evenwel gepaard met stijgende consumptie, waardoor er qua uitstoot weinig vooruitgang werd geboekt. Dit staat bekend als de Jevons-paradox.
[4] Waarmee ik bedoel dat grote delen van de aarde quasi onleefbaar zullen worden voor de mens (en de meeste dieren). De menselijke beschaving komt dan effectief in gevaar.
[5] Voor alle duidelijkheid: dit is zeker geen wenselijk scenario volgens ecomodernisten. Scenario’s waarin het klimaat onder controle houden door middel van mitigatie, adaptatie en negatieve emissietechnologieën zijn veel verkieslijker.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *