Ecomodernisme voor beginners: ontkoppelen en verdichten

Afbeeldingsresultaat voor ecomodernism symons
Mijn eerste kennismaking met het ecomodernisme kwam er dankzij het boek Verlichting Nu (2018) van Steven Pinker.
Dit boek is erg breed opgevat. Het eerste deel van Verlichting Nu handelt over de vooruitgang die de voorbije 250 jaar heeft plaatsgevonden en wat de sleutelfactoren waren die deze vooruitgang hebben mogelijk gemaakt. Het tweede deel gaat over de zware uitdagingen waar de mensheid voor staat, met name de klimaatverandering. Om grote uitdagingen te lijf te gaan zijn ratio, wetenschap en humanisme onontbeerlijk. Ze vormen de kern van het Verlichtingsproject.
Ecomodernisme sluit met zijn humanistische en wetenschappelijke insteek het best aan bij de Verlichtingstraditie. Ecomodernisten benadrukken bijvoorbeeld dat de niet-westerlingen ook recht op hebben op welvaart en ontwikkeling. Dit kan niet zonder dat ze meer toegang krijgen tot betaalbare energie. Om koolstofarme energiebronnen te creëren is veel wetenschappelijk onderzoek nodig. Wetenschap en humanisme gaan dus hand in hand.

Ecomodernisme en de groene beweging

De ecomodernistische beweging bestaat officieel nog maar een vijftal jaar. De bedoeling was van in het begin om een frisse wind te laten waaien in het milieu-en klimaatdebat. Die frisse wind was welkom. De groene beweging is in het verleden te weinig uitgedaagd waardoor er een zekere ‘pensée unique’ is ontstaan rond bepaalde zaken.
De discussies tussen ecomodernisten en groenen raken vaak nogal verhit, zeker op sociale media. Maar een constructieve discussie tussen beide stromingen is broodnodig om vooruitgang te boeken in het klimaat-en milieudebat.
Vooraleer die discussie goed kan starten, is het goed dat het duidelijk is waar ecomodernisme precies voor staat. Die verduidelijking wil ik hier geven. Daarna wil ik een aantal misvattingen over ecomodernisme elimineren.

De rol van technologie

Ecomodernisme is begonnen als een reactie tegen het klassiek-groene denken. Hoewel de groene beweging divers en complex is, zijn er toch een aantal rode draden te trekken. De meeste groenen hebben een voorliefde voor kleinschaligheid, voor leven in harmonie met de natuur en voor een sobere levensstijl. Dit is waarschijnlijk een van de redenen waarom groenen traditioneel gekant zijn tegen bepaalde grootschalige, industriële technologieën, zoals kernenergie en ggo’s. Die technologieën laten immers toe te ‘de natuurlijke grenzen’ te overschrijden en te ‘knoeien’ met de natuur.
Om die reden worden kernenergie en ggo’s soms ook prometheïsch genoemd, naar de Griekse (anti-)held Prometheus die het vuur van de goden stal en zich zo aan hybris of overmoed schuldig maakte. Groenen hekelen die prometheïsche drang van de mens. Het is die drang die alle hedendaagse ellende heeft gebracht, zo stellen ze.
Ecomodernisten zijn het hiermee oneens. Ze kiezen voor een pragmatische houding. Fossiele brandstoffen hebben het milieu veel schade berokkend, maar tegelijk hebben ze het menselijk lot aanzienlijk verbeterd door een enorme welvaartboost mogelijk te maken. In de volgende fase van de moderniteit moeten we technologieën ontwikkelen die de milieuschade tot een minimum beperkt. Het is een illusie om te denken dat we de klimaatverandering kunnen bestrijden zonder krachtige technologieën in te zetten. Daarvoor is het probleem veel te omvangrijk en te complex geworden.

Het dilemma tussen welvaart en milieu

Ecomodernisme is zoals gezegd een relatief jonge stroming: het Ecomodernistisch Manifest werd gepubliceerd in 2015. De beweging werd in het begin vooral getrokken door twee Amerikanen: Ted Nordhaus en Michael Shellenberger. Daarna waaide de stroming over naar Europa, waarbij de Europese ecomodernisten hun eigen accenten legden[1].
Ecomodernisme kenmerkt zich door pragmatisme, humanisme en een liefde voor de natuur. Uit de geschiedenis van de industriële revolutie blijkt dat een sterke groei in welvaart vaak ten koste gaat van het milieu. Hoe meer inkomen mensen vergaren, hoe meer ze consumeren en hoe meer het milieu daaronder lijdt. Bovendien zorgde de industriële revolutie samen met de komst van de moderne geneeskunde dat de kindersterfte daalde. Daardoor groeide de bevolking stevig aan, wat de menselijke impact op het milieu nog meer vergrootte.
De meeste mensen op deze planeet leven echter nog steeds in gewone of extreme armoede. Ze verdienen minder dan 7 dollar per dag. Deze mensen zullen er alles aan doen om meer inkomen te vergaren en dat is ook hun volste recht.
Die drang naar meer welvaart en een menswaardiger bestaan komt echter steeds meer in botsing met het milieu en het klimaat. De mensheid is sterk afhankelijk van de biosfeer, aangezien die ons allerlei ‘ecologische diensten’ levert: watervoorziening, voedsel en gezonde lucht om er maar enkele te noemen. We moeten de natuur dus zoveel mogelijk sparen en beschermen.
Ecomodernisten erkennen dat er een dilemma is ontstaan tussen de nood aan welvaart enerzijds en de nood aan een leefbare, bloeiende planeet anderzijds. De oplossing bestaat erin om de menselijke impact op het milieu zo klein mogelijk te houden, om zo ruimte aan de natuur terug te geven. Dat laatste wordt soms ook ‘rewilding’ genoemd, oftewel het herstellen van de wilde natuur.

Het centrale idee: ontkoppeling

Ontkoppeling (‘decoupling’) is een ander centraal begrip binnen het ecomodernisme. Wij mensen hebben een grote impact op de natuurlijke omgeving. We transformeren het landschap door aan landbouw te doen, door steden en havens te bouwen en door wegen, kanalen en dijken aan te leggen, enzovoort.
Onze impact op het milieu is niet louter negatief: we zijn ook in staat is om natuurgebieden te beschermen en ecosystemen te herstellen.
In het algemeen genomen valt het evenwel moeilijk te ontkennen dat de milieu-impact van de mens nadelig is voor ecosystemen en dieren. Door woningen, ziekenhuizen en fabrieken te bouwen verbeteren we het menselijk lot, maar schaden we tegelijk de natuur en de biodiversiteit. Die schade kan groot of beperkt zijn.
Met meer dan 7 miljard mensen is het onmogelijk om de natuur geen schade berokkenen en tegelijk te streven naar een menswaardig leven voor iedereen. Ecomodernisten geloven niet dat er een  levenswijze in harmonie met de natuur mogelijk is voor 7,5 miljard mensen. Daarvoor is onze planeet simpelweg te klein.

Ontkoppelen door te ‘verdichten’

De beste manier om de menselijke voetafdruk te beperken is bijgevolg intensifiëren en verdichten. Dit kunnen we best illustreren met een aantal voorbeelden, namelijk: precisielandbouw, kernenergie en megasteden
Bij precisielandbouw wordt er zeer gericht gebruik gemaakt van irrigatie, pesticiden en kunstmest. Dit gebeurt door middel van sensoren, GPS en drones. Vooral kunstmest is relevant in de context van klimaatopwarming.  Door kunstmest spaarzaam te gebruiken, wordt overbemesting vermeden en ontstaat er minder lachgas (N2O). Lachgas is net zoals CO2 een broeikasgas en draagt dus bij aan de verdere opwarming.
Om kunstmest te produceren wordt meestal aardgas als brandstof gebruikt. De warmte van aardgas is nodig om stikstof uit de lucht te halen. Dit is het zogenaamde Haber-Boschproces. Bij de aanmaak van kunstmest komt er CO2 en methaangas vrij. Door het kunstmest spaarzaam te gebruiken, daalt dus de uitstoot van die broeikasgassen eveneens.

Afbeeldingsresultaat voor precision farming
Precisielandbouw kan de impact van de landbouw op het milieu d

Kernenergie is nog een schoolvoorbeeld van verdichting. Kerncentrales stoten gedurende hun hele levensduur erg weinig CO2 uit. In vergelijking met gas- of steenkoolcentrales zo’n 40 à 80 keer minder. Enkel bij de uraniumontginning en de bouw van kerncentrales is er een beperkte CO2-voetafdruk. Kerncentrales kunnen bovendien 24/7 energie leveren aan miljoenen mensen, omdat er zo massaal veel energie vrijkomt bij de splijting van atomen.
Het feit dat kernenergie zo klimaat- en milieuvriendelijk is heeft alles te maken met de energiedensiteit van uranium. Een brok verrijkt uranium ter grootte van een tennisbal bevat 2 à 3 miljoen (!) keer meer energie dan een gelijke hoeveelheid steenkool of olie. Kernenergie lijkt dus de ideale energiebron in tijden van klimaatopwarming. Helaas staan tussen droom en daad een heel aantal praktische bezwaren. Ik kom er later nog op terug.
Afbeeldingsresultaat voor urbanization
Steeds meer mensen op deze aardbol leven in megasteden van meer dan 10 miljoen inwoner. Volgens het ecomodernisme is dat een goede zaak voor het milieu en het klimaat.

Megasteden vormen een derde voorbeeld van verdichting en intensificatie. Als mensen dicht bij elkaar wonen is hun milieu-impact beduidend kleiner. Dit is logisch aangezien stedelingen gemiddeld kleiner wonen. Daardoor heb je per persoon  minder beton en andere bouwgrondstoffen nodig.  Bovendien leggen mensen in steden kortere afstanden af en rijden ze meer met het openbaar vervoer (minder CO2-uitstoot van transport). Tot slot eten stedelingen gemiddeld ook minder vlees, omdat vegetarisch voedsel er gemakkelijker beschikbaar is.
Dit is in heel kort bestek hetgeen waar ecomodernisme voor staat. Van bij het begin zijn er echter misverstanden en verkeerde voorstellingen ontstaan, mede omdat men ecomodernisme in een bepaalde hoek wilde duwen. Die misverstanden zou ik graag willen ontkrachten in mijn volgende post.
 
NOTEN
[1] Twee boeken vormen een goede inleiding tot het ecomodernisme: Ecomodernisme (2017) onder redactie van de milieujournalist Marco Devisscher, met bijdragen van verschillende experten. – en De Energietransitie (2018), eveneens van Marco Visscher.
Hidde Boersma is een andere Nederlandse ecomodernist. Hij maakt de documentaire Well Fed (2016) over de rol genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s) bij de voedselvoorziening.
Bekende ecomodernisten in België zijn Manuel Sintubin (prof. geologie aan de KUL), Bart Coenen (redacteur van Wonder, Backcover.be), Gerard Govers (prof. Geografie KUL) en dr. Maarten Boudry (filosoof, onderzoeker aan de UGent)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *