De ideologische vertroebeling van het klimaatdebat (update)

*dit is een herwerkte versie van een vorige post over klimaatactie.
tienduizenden-bij-klimaatmars-door-brussel1543763301-750x480
 
Op zondag 2 december 2018 trokken 65.000 burgers naar Brussel om hun bezorgdheid over het klimaatprobleem te uiten. Ze vroegen politici met aandrang aan om in actie te schieten. Opvallend was echter dat er niet echt duidelijke eisen van de betogers naar voren kwamen over welke soort energietransitie er moet komen. Uiteraard waren er de gebruikelijke eisen: meer bebossing, geen subsidies meer voor bedrijfswagens, meer en beter openbaar vervoer…, maar een echte totaalvisie ontbrak. Dit gebrek aan een inspiratie is wellicht het gevolg van een ideologische vertroebeling van het debat. Die maakt dat er op een weinig nuchtere en oplossingsgerichte manier over de energietransitie wordt nagedacht.
Hoe is die ideologische vertroebeling er gekomen? In de beginjaren 2000 hebben klimaatactivisten als Al Gore, Bill McKibben en Noami Klein de publieke opinie wakkergeschud over de klimaatopwarming. Dat is hun grote verdienste. Maar onder hun impuls kreeg het klimaatprobleem ook een activistische twist. Vooral de activiste Noami Klein zag de klimaatopwarming als een vorm van geweld van het neokoloniale en kapitalistische westen op de verschoppelingen der aarde. Haar bedoeling was om het klimaatprobleem als een ideologische hefboom te gebruiken. Samen met global warming moesten ook discriminatie, racisme en de kloof tussen arm en rijk worden aangepakt. Ironisch genoeg hanteerde Noami Klein zo haar eigen versie van de ‘shock doctrine’. In de V.S. heeft deze strategie evenwel tot een scherpe tegenreactie van de Republikeinen geleid. Ze bekeerden zich massaal tot klimaatscepticisme en -ontkenning om in één beweging de sociale agenda van links te ondergraven. Deze ideologische loopgravenoorlog duurt tot op de dag van vandaag voort.
Het discours dat Klein in This Changes Everything hanteerde, is  sindsdien erg populair geworden bij een deel van de linkerzijde. In Vlaanderen krijgt Klein navolging bij mensen als Ludo De Witte (Als alle bomen zijn omgekapt, eten we ons geld op), Nick Meynen (Frontlijnen) en Natalie Eggermont (oud-voorzitter van Climate Express).
In dit discours over klimaatrechtvaardigheid wordt er impliciet een moralistische tweedeling gemaakt tussen onderdrukkers en onderdrukten. Enerzijds heb je de elite (westerse landen, de rijkste 1%, de oliegiganten, apathische politici, ….): zij zijn met hun winstbejag en consumentisme de voornaamste schuldigen voor de opwarming van de planeet. Anderzijds heb je de armen die geen schuld treffen. Zij dragen de zwaarste gevolgen van de opwarming. Om deze onrechtvaardigheid uit te wissen moet het mondiale proletariaat de krachten bundelen en in opstand komen tegen de elite, zodat het kapitalistisch systeem wordt ontmanteld. Grote oliebedrijven moeten op de knieën gedwongen worden zodat zon en wind alle kans krijgen om in schone energie te voorzien voor de hele wereld.
Dit discours is problematisch om een heel aantal redenen. Ik zal in dit stuk trachten duidelijk te maken waarom.
Klimmen op de energieladder
Waarom stoot de mens zoveel CO2 uit? Het antwoord is vrij eenvoudig. CO2 is een schadelijk neveneffect van iets waar we niet zonder kunnen: energie. Energie is de basis van elke beschaving. De archeoloog Ian Morris stelt dat samenlevingen geavanceerder worden naarmate ze verder op de Great Chain of Energy te klimmen. Dankzij energie kunnen kunnen mensen zich beter beschermen tegen fenomenen als koude, hitte, schaarste en natuurrampen.  De voorbije duizenden jaren maakten we verschillende energierevoluties door.  In de middeleeuwen klommen mensen verder op de energieladder met behulp van lastdieren, hout en watermolens. Vanaf de industriële revolutie werden hout en mest steeds meer vervangen door fossiele brandstoffen. Hierdoor werden er minder bossen omgekapt, maar ontstond er tegelijk zware lucht- en riviervervuiling. Steenkool werd in het begin van de twintigste eeuw steeds meer vervangen door olie. Enkele decennia later volgde een overgang naar aardgas.
Deze energietransities zijn niet netjes afgelijnd. Vandaag zijn nog steeds 2 miljard mensen afhankelijk van hout en mest voor hun energie. Bovendien heeft steenkool een enorme comeback gemaakt onder impuls van de Chinese economische boom.
Het uiteindelijke resultaat van al die energierevoluties is dat moderne mensen over honderd keer meer energie kunnen beschikken dan een doorsnee jager-verzamelaar.
Fossiele brandstoffen waren vanaf het begin zowel een vloek als een zegen. De vieze stinkende rook van steenkoolfabrieken zorgde voor een ondoordringbare smog rond steden als London – de beruchte Londense mist. Tegelijk was steenkool de bron van een ongekende groei in welvaart. Het zwarte goedje had veel voordelen. Mede dankzij fossiele brandstoffen werd de slavernij sneller afgeschaft (machines waren immers efficiënter dan slaven), steeg de landbouwopbrengst spectaculair, gingen de geneeskunde en chemie erop vooruit en konden mensen zich sneller en gemakkelijker verplaatsen (eerst met de stoomtrein, later met de auto). Het is moeilijk om vandaag een wereld in te denken zonder fossiele brandstoffen. Olie zit overal in: in onze kledij, in plastic, in geneesmiddelen, in laptops…
Radicale klimaatactivisten vergeten al te vaak de voordelen van fossiele brandstoffen: ze zijn relatief makkelijk te ontginnen, goedkoop en zeer energiedicht (d.w.z.  veel energie per volume). Het is dus geen wonder dat ze na 250 jaar alomtegenwoordig zijn. De energietransitie naar een fossielvrije samenleving is om deze intrinsieke reden een loodzware opdracht. Het gaat dus niet op om te zeggen dat het klimaatprobleem enkel een probleem is van politieke wil.
 
Schuld en boete?
Noami Klein en co vertrekken daarentegen van een heel ander uitgangspunt. Het klimaatprobleem is volgens hen een verhaal van ‘slachtoffers’ en ‘daders’, van klimaathelden en klimaatcriminelen.  Voor een stuk klopt dit beeld ook. De ontginning van steenkool en olie ging (en gaat) vaak gepaard met uitbuiting. De oliebedrijven die de gevaren van klimaatopwarming verzwegen, hebben een verpletterende verantwoordelijkheid voor de vertraagde aanpak van de CO2-uitstoot. Het zou terecht zijn mochten ze daarvoor monsterboetes krijgen. Maar helaas zou daarmee het klimaatprobleem allesbehalve opgelost zijn.
Los van dit onverantwoordelijk gedrag is het correcter om het klimaatprobleem te zien als een complexe gordiaanse knoop die de ganse wereld moet oplossen. Fossiele brandstoffen stellen de wereld voor een dilemma. Ze zorgen enerzijds voor een snelle welvaartstijging en anderzijds voor vervuiling en opwarming. De voorbije decennia heeft de industriële revolutie zich nog eens overgedaan, dit keer in de ontwikkelingslanden. Steenkool is nog steeds de drijvende kracht achter de welvaartsboost in China. Kunstmest – een product van fossiele brandstoffen – leidde een tweede revolutie in voor miljoenen Aziaten. De Groene Revolutie in de landbouw voorkwam dat miljoenen Indiërs en Chinezen de hongerdood stierven toen hun bevolking vanaf de jaren ’60-’70 explodeerde tot meer dan 1 miljard inwoners[1]. Dankzij fossiele brandstoffen hebben miljoenen Aziaten zich uit de armoede kunnen bevrijden. Maar het neveneffect hiervan is dat Azië net als het westen een ‘grootuitstoter’ is geworden.
CO2-emissions-by-income-and-region - kopie
Kapitalisme afzweren?
Volgens veel klimaatactivisten is het mondiale kapitalisme een destructieve, immorele ideologie. Ze teert op menselijk egoïsme en hebzucht, waardoor het milieu uit winstbejag verpest wordt. Maar dit is een te kortzichtig oordeel. Antikapitalisten focussen eenzijdig op de energieproducenten, alsof zij de enige zijn die voordeel hebben gehaald uit fossiele brandstoffen. Deze zero sum-logica is incorrect, want de rest van de mensheid profiteerde er net zo goed van.
Naarmate mensen rijker en gezonder worden, worden ze trouwens niet egoïstischer of hebzuchtiger. Eerder het tegendeel: als mensen het goed hebben komt er meer mentale bandbreedte vrij om zorg te dragen voor het milieu en hun politieke vertegenwoordigers te stimuleren hetzelfde te doen. Dit is ook zichtbaar in het overheidsbeleid van welvarende democratieën. Dit vertoont de zogenaamde environmental Kuznets curve. De eerste fase van snelle industrialisering is vervuilend, maar daarna volgt vaak een piek en vervolgens een verhoogde zorg voor het milieu. In Europa en de V.S. is de waterkwaliteit van rivieren verbeterd, de hoeveelheid bosoppervlakte toegenomen en zijn de voornaamste luchtvervuilende stoffen sterk afgenomen, dankzij strengere milieuwetten en schonere technologie. Europa en de V.S. zijn voorlopig ook de enige wereldregio’s die er in slagen om hun CO2-uitstoot te doen dalen (met dien verstande dat hun uitstoot nog steeds torenhoog is).
 
De energietransitie
Over één ding zijn alle betrokkenen in het klimaatdebat het eens: we moeten globaal naar een CO2-vrij economie evolueren.
Fossiele brandstoffen doordringen elk aspect van ons leven en dat van miljarden anderen. Landen die nu nog arm zijn zullen naar alle waarschijnlijkheid ook het fossiele pad kiezen om hun welvaart te verhogen. Dit maakt de opdracht om de wereldeconomie te decarboniseren nog moeilijker. Daarom is er intense internationale samenwerking nodig. Door te veel te focussen op sociale strijd verliezen we de tijd en energie die we nodig hebben om samen te werken.
Het is onverstandig om té drastisch te werk te gaan. Als oliebedrijven failliet gaan vooraleer we een andere geschikte energiebron als alternatief hebben kunnen economieën instorten. Dit kan op zijn beurt leiden tot maatschappelijke chaos en politieke instabiliteit. Als landen in zo’n negatieve spiraal belanden zal er van verdere klimaatactie waarschijnlijk geen sprake meer zijn.
Politieke leiders moeten dus weloverwogen handelen. Hoge milieutaksen en energiefacturen kunnen het draagvlak voor klimaatactie doen wegsmelten als sneeuw voor de zon. Ook als men enkel bedrijven CO2-taksen zal opleggen zal dit uiteindelijk resulteren in duurdere prijzen voor de consument aan de pomp of in de supermarkt. Te dure klimaatmaategelen kunnen een bittere pil worden voor de middenklasse en voor armen.
Een sociaal rechtvaardige transitie moet bijgevolg een transitie zijn die betaalbaar en efficiënt is. Het is intussen gebleken dat een energietransitie enkel op basis van zonne-en windenergie met ernstige obstakels te maken zal krijgen. We kunnen de Energiewende in Duitsland zien als een ‘proeftuin’ voor een groene transitie. Twee ongemakkelijke waarheden komen daaruit naar voren. Ten eerste is de CO2-uitstoot van Duitsland de laatste tien jaar gestagneerd, ondanks het feit dat de overheid meer dan 500 miljard euro investeerde in zon en wind. Ten tweede is de elektriciteitsprijs met 50% gestegen. De verklaring hiervoor is dat zon en wind onbetrouwbare energiebronnen zijn. Ze vergen een betrouwbare backup als de zon niet schijnt of de wind niet waait, in de vorm van gas-, waterkracht- of steenkoolcentrales. Duitsland zag zich gedwongen om bruinkool te gaan stoken om in deze backup te voorzien. Dit vergde dus nieuwe investeringen en zorgde uiteraard ook voor extra CO2-uitstoot. De hoop voor de toekomst is dat de fossiele backup voor zon en wind niet langer nodig zal zijn als we grote hoeveelheden energie zullen kunnen opslaan in batterijen. Maar batterijen en andere opslagtechnologieën staan nog in hun kinderschoenen en zijn peperduur.
Bron: Environmental Progress
environmental progress - co2-emissies van duitsland zijn gestagneerd en niet gedaald - elektriciteitsprijs steeg voorbije tien jaar met 50%
Helaas is dit besef nog onvoldoende doorgedrongen bij de publieke opinie en bij beleidsmakers. Zon en wind werden het voorbije decennium enorm gehypt en er waren weinig journalisten die er kritisch naar keken. Maar intussen is de mislukking van de Energiewende is te groot om ze nog te kunnen negeren.
 
Het taboe
Als zon en wind ontoereikend zijn dan schiet er in feite maar één serieus alternatief over om de CO2-uitstoot te doen dalen: kernenergie. Ecomodernisten als Michael Shellenberger, Marco Visscher, Bart Coenen en Maarten Boudry pleiten er al een aantal jaar voor. Recentelijk besloot de Union of Concerned Scientists, een organisatie met meer dan 200.000 leden, om haar verzet tegen kernenergie te staken. Tot slot werd in de het IPCC-rapport van dit jaar het uitbouwen van kernenergie uitdrukkelijk vermeld als een manier om de tweegradengrens te halen.
In een recente aflevering van Arjen op Zondag betoogde de Nederlandse komiek Arjen Lubach op basis van degelijk onderzoek dat de angst voor kernenergie overdreven is. Kernenergie is veel minder dodelijk dan fossiele brandstoffen ondanks de rampen in Fukushima en Tsjernobyl. Milieuorganisaties als Greenpeace hebben jarenlang opgeblazen cijfers  gebruikt om de publieke opinie nog meer angst aan te jagen. Maar de statistieken zijn duidelijk: steenkool zorgt voor meer dan 300 keer meer doden dan kernenergie. Voor ontwikkelingslanden komt de energiekeuze vaak neer op de keuze tussen kernenergie en steenkool. De meest rationele keuze is dan die voor de eerste.
Een andere bezorgdheid richt zich op kernafval. Het probleem van kernafval is in principe beheersbaar. De opslag van kernafval kan bijvoorbeeld gebeuren in diepe kleilagen of in zoutmijnen. Kerncentrales van de derde generatie zouden kernafval als brandstof kunnen gebruiken. In China onderzoeken wetenschappers deze mogelijkheid in proefreactoren.
Kernenergie blijft de enige energiebron die overvloedige, betrouwbare en CO2-arme energie kan leveren. Het is niet toevallig dat Frankrijk en Zweden tussen de Europese landen zitten met de laagste  CO2-uitstoot per hoofd van de bevolking (beiden ongeveer 5 ton CO2/persoon per jaar). In Duitsland is de uitstoot bijna het dubbel (9 ton CO2/persoon per jaar).
In ons land wordt een pleidooi voor kernenergie door sommigen snel weggewuifd. ‘Het is te duur, er is te weinig draagvlak bij de bevolking, het is te laat…’ Dit zijn echter geen doorslaggevende argumenten. Ooit was het bouwen van kerncentrales niet te duur, namelijk in de jaren ’70-’80.  Landen als Frankrijk, China en India slagen er vandaag wel in om de kosten van kerncentrales niet door het dak te laten gaan. Het moet dus in principe mogelijk zijn om het op een betaalbare manier te doen. Ook het argument van het beperkte draagvlak is niet doorslaggevend. Er kan snel aan draagvlak gewonnen worden als traditionele tegenstanders de moed hebben om van gedachten te veranderen. Hopelijk breekt die dag snel aan.
[1] De voorspellingen van Paul Ehrlich en de Club van Rome dat er ongeziene hongersnoden zouden volgen in de jaren ’70-‘80 zijn gelukkig niet uitgekomen.

1 reactie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *