Het valse dilemma tussen optimisme en pessimisme

Afbeeldingsresultaat voor thinking philosopher
Er is de laatste jaren iets veranderd in de media. Naast de gebruikelijke stroom van slecht nieuws, verschijnen er regelmatig ook artikels over de Nieuwe Optimisten die stellen dat ‘we’ het nog nooit zo goed hebben gehad. Op vlak van welvaart, gezondheid, veiligheid, vrede, onderwijs en vrije tijd heeft de wereld de voorbije 60 jaar een revolutie doorgemaakt.
Vorige dinsdag vroeg Ignaas Devisch zich af of mensen wel gelukkiger worden van al die ‘gemiddelde’ verbeteringen. De miljoenen  kinderen die nog steeds in extreme armoede leven en niet naar school kunnen, hebben niks aan hoopgevende curves en statistieken. Ook de gele hesjes zal je er niet direct mee opbeuren.
Bovendien zijn er ook zorgwekkende tendensen. Met het klimaat en de bioversiteit gaat het de verkeerde kant op. Devisch stoort zich om die redenen aan het vooruitgangsbetoog van Steven Pinker, de beroemde cognitieve psycholoog met zijn krulletjes. Hij vergelijkt Pinkers vooruitgangsoptimisme met de uitspraak van de Verlichtingsfilosoof Leibniz dat we ‘in de best mogelijke van alle werelden’ leven.

Afbeeldingsresultaat voor LEIBNIZ
Gottfried Wilhelm Liebniz (1646-1716), de Verlichtingsfilosoof, natuurkundige en wiskundige.

Devisch wijst in zijn betoog terecht op het gevaar van zelfgenoegzaamheid. Te veel goed nieuws zou mensen passief kunnen maken. Toch bevat zijn analyse een aantal misvattingen die regelmatig terugkeren in het debat over vooruitgang.
De eerste misvatting is dat vooruitgangsdenken zou impliceren dat we op dit moment in een van de best mogelijke werelden leven.  Die vreemde opvatting van de filosoof Leibniz werd door Voltaire belachelijk gemaakt in zijn beroemde roman Candide. Denkers als Steven Pinker, Hans Rosling en Johan Norberg trappen niet in die val. Ze beseffen dat de mensheid, ondanks de vooruitgang, nog steeds met enorme problemen te kampen heeft: malaria, kernwapens en klimaatopwarming om er maar een paar te noemen. In zijn boek Verlichting Nu (2018) bespreekt Pinker die gevaren uitgebreid.
Dat brengt is bij een ander belangrijk punt. Een optimist is ervan overtuigd dat dat de toekomst er rooskleurig uit zal zien. Maar zoals iedereen weet is voorspellen erg moeilijk, zeker als het over de toekomst gaat. Pinker en co prediken daarom geen optimisme, maar wel possibilisme. Een possibilist gelooft dat de meeste problemen opgelost kunnen worden als we onze creativiteit, onze intelligentie en ons vermogen tot samenwerking benutten. Ook grote problemen als klimaatopwarming, grondstoffenschaarste of eindeloze conflicten zijn niet onoverkomelijk. In het verleden heeft de mensheid ook voor gigantische uitdagingen gestaan. Deze antifatalistische houding put vertrouwen uit de vooruitgang die geboekt is in het verleden.optimisme cartoon
De meeste mensen zijn wellicht geen possibilisten. Volgens de econoom Paul Romer onderschatten mensen systematisch hoe technologische en wetenschappelijke vindingen elkaar versterken. Je moet mogelijkheden niet optellen, maar ze vermenigvuldigen, zo stelt hij.
Tegelijk is het niet zo dat vooruitgang een soort onzichtbare, historische kracht is die zich automatisch verderzet. Het is veeleer een traag en moeizaam proces, gerealiseerd door het harde werk van miljoenen gewone stervelingen zoals verpleegkundigen, loodgieters, wetenschappers, ingenieurs, overheidspersoneel….
Ignaas Devisch erkent dat er vooruitgang is, maar werpt tegen dat de statistieken van Pinker vooral ‘gemiddelden’ weergeven en daarom misleidend zijn. Het lijkt er echter op dat Devisch in de ban is van het kloofinstinct. Hans Rosling wijst er in zijn boek Feitenkennis (2018) op dat mensen de wereld graag opdelen in kloven. De bekendste kloof is die tussen het rijke Westen en het arme Zuiden, tussen de haves en de have-nots. De rijke minderheid zwemt in de luxe, maar de arme meerderheid krijgt enkel de kruimels, zo is het beeld. Als je van deze twee groepen enkel het gemiddelde zou nemen, zou je foutief kunnen afleiden dat ‘de gemiddelde aardbewoner’ best wel een redelijk inkomen heeft.
Afbeeldingsresultaat voor gap instinct
Dat bezwaar zou terecht zijn, ware het niet dat dit beeld al een tijdje achterhaald is. Tot aan het begin van de 20ste eeuw was er inderdaad een grote kloof tussen het westen en de rest, tussen de rijke aristocratie en de arme meerderheid. Ondertussen is de inhaalslag gebeurd, zowel binnen landen als tussen landen. De meeste mensen vandaag behoren tot de ‘mondiale middenklasse’. Deze groep heeft een inkomen tussen de 10 en 32 dollar per dag. De meesten onder hen hoeven geen honger te lijden en kunnen een brommer of een wasmachine bijeen sparen. Ze hebben een financiële buffer – hoe bescheiden ook – waardoor ze bij een tegenslag niet opnieuw in extreme armoede belanden.
In plaats van in kloven te denken, is het beter om de wereld op te delen in 4 Niveaus, zoals Hans Rosling doet. Het eerste Niveau is dat van de extreem armen, het vierde Niveau dat van de rijke aardbewoners. In Niveau 1 en Niveau 4 zitten elk ruwweg 1 miljard mensen. In Niveau 2 en 3 zit de meerderheid: samen 5 miljard mensen. Anders gezegd: er is geen inkomenskloof meer, wat maakt dat ‘het gemiddelde inkomen’ nu veel representatiever is dan pakweg 100 jaar geleden.
vier levels - inkomensniveaus in de wereld - hans rosling - kloofinstinct
Wil dit dan zeggen dat mondiale armoede geen belangrijk probleem meer is? Uiteraard niet. Veel mensen die nu in Level 2 en 3 leven, leiden een zwaar en moeilijk bestaan. Vooruitgang impliceert niet dat het nu al goed is. Iets kan beter zijn dan vroeger, maar toch nog steeds slecht, zoals Rosling het formuleert.
Dit sluit aan bij een andere tegenwerping die Devisch maakt: ‘Wat dan met de extreem armen (de mensen op Level 1)? Wat hebben die 1 miljard mensen aan de kennis dat er vroeger nog meer individuen in ellende leefden?”
Uiteraard hebben mensen die nog steeds in extreme armoede of in oorlogsgebieden leven weinig aan historische statistieken. Maar het is ook niet de bedoeling van Pinker of Rosling om deze mensen te troosten of op te beuren. Hun boodschap is in de eerste plaats gericht aan rijke, hoogopgeleide westerlingen. Het is deze groep die de meeste middelen heeft om positieve verandering in gang te zetten. Helaas heerst bij velen het vooroordeel dat extreme armoede, ziekte en honger onoplosbare problemen zijn. Door mensen van dit waanidee af te brengen, komen ze misschien terug in actie. Ze zouden zich bijvoorbeeld kunnen aansluiten bij het Effectief Altruïsme. Deze beweging toont op een wetenschappelijke manier aan dat donaties aan zorgvuldig gekozen goede doelen wel degelijk helpen (zie bvb. de ‘top charities’ van Give Well).
Desondanks is te veel gejuich over vooruitgang niet goed volgens Devisch. Het kan ons te zelfgenoegzaam en te zorgeloos maken. Een beetje pessimisme houdt ons waakzaam en stimuleert ons om dingen te verbeteren. Deze redenering lijkt hout te snijden. Neem bijvoorbeeld een aannemer die een huis moet bouwen. Een aannemer die te snel tevreden is over zijn bouwsels zal vroeg of laat een rotte balk op zijn hoofd krijgen. Liever dus een aannemer die alles driedubbel checkt. Pessimisten houden zichzelf en anderen bij de les.
Toch vertrekt Devisch vanuit een vals dilemma, namelijk het dilemma tussen pessimisme en optimisme. Eigenlijk hoeven we niet te kiezen tussen een (licht) roze bril of een (licht) donkere bril. Wat we vooral moeten nastreven is accuraatheid. Een pessimistisch ingestelde aannemer kan net zo goed verkeerd zitten omdat hij zich blind staart op het verkeerde gevaar, waardoor hij een ander onheil niet ziet aankomen. De analogie gaat perfect op voor analisten, commentatoren en media die de publieke opinie net zo goed kunnen afleiden van grote problemen door hun eigen tunnelvisie. Zowel de aanslagen van 9/11 als de financiële crisis van 2008 waren een totale verrassing voor de wereldpers.
Als we met onze kennis de wereld willen verbeteren is alertheid voor gevaren overigens onvoldoende. Het is net zo essentieel om zaken die goed gaan grondig te bestuderen. Neem de biodiversiteit op aarde: die gaat er inderdaad op achteruit. Maar de laatste jaren hebben een heleboel diersoorten zich hersteld dankzij menselijk ingrijpen. Uit zulke goede praktijken kunnen biologen, activisten en beleidsmakers nuttige lessen trekken. Op die manier kunnen er nieuwe successen worden geboekt. Goed nieuws hoeft dus niet louter als een psychologisch opkikkertje te dienen: het kan ook een belangrijke les zijn voor de toekomst.
Uiteindelijk is dat een van de voornaamste lessen van de verlichting: het verwerven van dieper inzicht is de efficiëntste route om de wereld te verbeteren.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *