De ideologische vervorming van het klimaatprobleem

 
Op 2 december is er een grote klimaatmars in Brussel. Een goede gelegenheid om even terug te kijken op de manier waarop het klimaatdebat is gevoerd de laatste jaren. Een van de problemen is de ideologisering van het debat. Het complexe klimaatprobleem wordt door sommige opiniemakers opgevat in neomarxistische termen, onder invloed van de Amerikaanse identiteitspolitiek. Het stuk dat  Rachida Lamrabet in Mo* Magazine schreef is daar een treffende illustratie van. Dit discours is problematisch om een heel aantal redenen.
De verharding tegenover vluchtelingen
Lamrabet begint haar stuk nochtans met een terechte aanklacht. Er is inderdaad een gebrek aan internationale solidariteit om (klimaat)vluchtelingen op te vangen. Sommige landen zoals Polen, Hongarije, Saudi-Arabië en China weigeren pertinent om mensen op te nemen. Vluchtelingen worden als een bedreiging voor de nationale identiteit geframed. De versterking van grensmuren die we wereldwijd zien past binnen die logica. Helaas ziet het er op korte termijn niet naar uit dat de meeste landen voor een humanere asielpolitiek zullen gaan. De rechtspopulistische invloed op het migratiedebat is momenteel te groot. Als er een Democratische president verkozen wordt in 2020 kan dit tij misschien keren.
Afbeeldingsresultaat voor border walls
Niets is zwart-wit
Hoewel dit een terechte zorg is, is de koppeling van het huidige vluchtelingenprobleem aan het klimaat minder evident dan het lijkt. Zo is het bijvoorbeeld twijfelachtig dat de karavaan die vanuit Honduras richting de V.S. trok, vluchtte voor de droogte. De meest plausibele verklaring is dat mensen wegtrokken omwille van het het geweld van jeugdbendes en de economische ellende in Midden-Amerika. De meeste vluchtelingen komen uit Honduras, één van de landen met het hoogste aantal moorden ter wereld.
Anderzijds klopt het natuurlijk dat klimaatstress conflicten in bepaalde omstandigheden kan verergeren. Zo heeft de lange periode van droogte in Syrië tijdens de periode 2006-2010 tot meer sociale onrust in de Syrische steden gezorgd. Dit vormde de katalysator voor een verwoestende sektarische burgeroorlog die vandaag nog verdergaat. Toch is ook hier nuance op zijn plaats. Zo blijkt uit onderzoek van de geograaf Aaron Wolf dat conflicten over water meer uitzondering dan regel zijn. Het is dus niet duidelijk waarop Lamrabet doelt wanneer ze spreekt over ‘toenemende conflicten over water’.
Hoe dan ook is het moeilijk om precies te bepalen welke mensen klimaatvluchtelingen zijn en welke niet. Vaak vluchtten mensen om meerdere redenen. Oorlog, vervolging en economische malaise blijven de voornaamste pushfactoren. De slimste strategie is op dit moment[1] dan ook om meer in te zetten op diplomatie en peacebuilding.
Geld besteden aan militarisering is in die optiek net datgene wat landen niet moeten doen. Toch is de vrees voor een sterke militarisering wat te voorbarig. In geen enkel Europees land zijn de militaire uitgaven in termen van het BBP-percentage noemenswaardig gestegen het voorbije decennium. De meeste NAVO-landen halen de vooropgestelde 2%-norm niet eens en het enthousiasme voor een Europees leger is maar matig. De wereld is zich niet heimelijk aan het voorbereiden op ‘klimaatoorlogen’.
Afbeeldingsresultaat voor peacebuilding
Klimaatracisme?
Het gebrek aan nuance in Lamrabets discours maakt het makkelijker om het klimaatprobleem in een ideologische mal te duwen. Onder invloed van de klimaatactivisten als Noami Klein en Bill McKibben is er een neomarxistisch narratief populair geworden bij een deel van de linkerzijde. Zo wordt het beeld geschetst van een onderdrukte, gekleurde massa die onderdrukt wordt door een onverschillige westerse elite. Het klimaatdebat wordt gebruikt om deze moralistische tweedeling te bevestigen.
Dit discours is wederom een vervorming van de realiteit. Hoewel het klopt dat arme regio’s als Afrika en Zuid-Azië de zwaarste gevolgen zullen dragen van de klimaatopwarming, heeft dit meer met geografische toevalligheid te maken dan met racisme of neokolonialisme. Het westen kan moeilijk verantwoordelijk gesteld voor de uitbreiding van de Sahara of voor de moessonregens die soms duizenden levens eisen. Deze fenomenen voltrekken zich al eeuwen, nog voor er sprake was van antropogene klimaatopwarming. Het is simpelweg een gegeven dat grote stukken van Afrika en Azië levensvijandige omgevingen zijn voor grote populaties mensen.
Afbeeldingsresultaat voor sahara
Schuld en boete
Het klimaatprobleem wordt vaak in zwart-wittermen gegoten van ‘slachtoffers’ en ‘daders’, van klimaathelden en klimaatschurken.  Voor de goede orde: er zijn inderdaad actoren die een verpletterende verantwoordelijkheid dragen voor de vertraagde aanpak van de klimaatopwarming. De oliegiganten die de gevolgen van de klimaatopwarming verzwegen zijn het meest schokkende voorbeeld. Het zou terecht zijn mochten ze voor deze misdaad hoge monsterboetes krijgen. Maar helaas zou daarmee het klimaatprobleem allesbehalve opgelost zijn. De vereiste investeringen voor een totale decarbonisering van de wereldeconomie zijn vele malen hoger dan de boetes die de olie-industrie kan ophoesten.
Los hiervan is het correcter om het klimaatprobleem te zien als een tragisch dilemma dan als een verhaal van onrechtvaardigheid en boosdoeners. De voorbije decennia heeft een groot deel van de wereldbevolking zich succesvol bevrijd uit armoede. Fossiele brandstoffen speelden hierbij opnieuw een centrale rol. Miljoenen mensen in ontwikkelingslanden zijn overgeschakeld van dierlijke mest en hout naar steenkool als brandstof. Steenkool is ook nog steeds de drijvende kracht achter de welvaartsboost in China. Daarnaast leidde kunstmest een tweede revolutie in voor miljoenen Aziaten. De Groene Revolutie voorkwam dat miljoenen Indiërs en Chinezen de hongerdood stierven toen hun bevolking vanaf de jaren ’60-’70 explodeerde tot meer dan 1 miljard inwoners. De tol voor het milieu was de keerzijde hiervan.
Dit toont duidelijk het dilemma waar de wereld momenteel voor staat. Dankzij fossiele brandstoffen hebben miljoenen Aziaten zich uit de armoede kunnen bevrijden. Maar het neveneffect hiervan is dat Azië net als het westen een ‘grootuitstoter’ is geworden. Fossiele brandstoffen zijn zowel een vloek als een zegen.
CO2-emissions-by-income-and-region - kopie
Azië (rode balk) stoot intussen meer CO2 uit dan de V.S. en Europa tezamen (blauwe resp. gele balk). Een gevolg van zowel de transitie naar steenkool als het grote bevolkingsaantal (4 miljard mensen). Bron: Our World in Data
 
Wat kunnen we dan doen? De hoofdopdracht moet erin bestaan om deze landen te stimuleren om zo snel mogelijk hun economie te decarboniseren[2]. Westerse landen hebben de meeste knowhow en kunnen dus in belangrijke mate helpen. En uiteraard moeten we zelf ook zo snel mogelijk af van fossiele brandstoffen. Momenteel is een combinatie van hernieuwbare bronnen en kernenergie de meest realistische optie (hoewel het draagvlak voor meer kernenergie momenteel laag is, maar dit even terzijde).
De toekomst voor Afrika
Ongetwijfeld verlangen veel mensen in Afrika ook naar betere oogsten en meer welvaart. Zij willen de weg op van China en het westen (en dat is hun volste recht). Het is dus waarschijnlijk dat Afrikaanse landen ook steeds meer de fossiele weg zullen bewandelen. Bovendien is er ook nog de bevolkingstoename. Hoewel het aantal kinderen ook in Afrika stelselmatig daalt, zal tegen 2100 de Afrikaanse bevolking viermaal groter worden en uiteindelijk stranden op vier miljard volgens de VN. Het is onvermijdelijk dat de natuur op het Afrikaanse continent onder deze twee factoren zal lijden. Het zal zaak zijn om zoveel mogelijk aan schadebeperking te doen.
Hoewel de uitdaging enorm is, zijn de remedies vrij helder. Ten eerste is het nodig dat Afrikaanse landen ‘kikkersprongen’ maken richting een CO2-arme economie. Europa en de V.S. hebben de plicht om hen te helpen de overgang van een fossiele naar een CO2-arme economie zo vlot mogelijk te maken. Daarnaast moeten Afrikaanse landen economisch groeien om weerbaarder te worden tegen klimaatproblemen. Een stevig huis is immers beter bestand tegen de elementen dan een krotwoning in een sloppenwijk. Ook hierbij is alle hulp van buitenaf welkom. Het ‘Marshallplan voor Afrika’ waarover Angela Merkel recentelijk sprak mag geen lege doos zijn.  Ten tweede is het noodzakelijk – zoals Macron deed –  om te blijven pleiten voor meer onderwijs en voorbehoedmiddelen voor Afrikaanse meisjes. Macrons bedoeling was niet om ‘baas te spelen over de buik van vrouwen van kleur’, maar juist om beleidsmaatregelen in de verf te zetten die bijdragen aan hun emancipatie. Het is zeer aannemelijk dat de meeste Afrikaanse vrouwen niet uit vrije wil  voor 6 à 8 kinderen kiezen, maar dat hun die keuze wordt opgedrongen door sociale druk of een gebrek aan voorbehoedmiddelen. Het discours rond klimaatgerechtigheid zorgt voor schroom ten aanzien van arme landen als het gaat over het bevolkingsprobleem. Maar met die schroom is niemand geholpen, zeker niet de vrouwen die gebukt gaan onder een zware kinderlast.
Ideologische wespennesten
Tot slot is er nog een laatste probleem met het discours rond klimaatgerechtigheid dat strategisch van aard is. Klimaatactivisten stellen de situatie voor als een zero sum strijd tussen onderdrukte minderheden en (witte) elites, tussen het arme Zuiden en het rijke Noorden. Maar dit is een vals dilemma: iedereen heeft belang bij effectieve klimaatactie. Problemen in Azië en Afrika zullen ook gevolgen hebben voor de rijke regio’s. Mondiale samenwerking is cruciaal om vooruitgang te boeken.
Door linkse strijdpunten te verbinden met het klimaatthema passen klimaatactivisten als Noami Klein ironisch genoeg zelf een soort ‘shock doctrine’ toe. Ze proberen het klimaatprobleem als hefboom te gebruiken om ‘alles te veranderen’, dit wil zeggen een wereldwijde overgang te forceren van kapitalisme naar ecosocialisme. Samen met het klimaatprobleem zouden ineens ook alle sociale ongelijkheden moeten worden aangepakt. Achter dit plan schuilt ongetwijfeld een nobele intentie, maar het heeft tegelijk geleid tot een felle ideologische tegenaanval. Die werd ingezet door rechts-conservatief Amerika dat gruwt van elke herverdelingspolitiek. Samen met de sociale agenda vielen ze ook de klimaatwetenschap aan. De Republikeinen besloten massaal om antropogene klimaatopwarming te ontkennen of te minimaliseren.
Deze ideologische loopgravenoorlog zou kunnen overwaaien naar Europa onder impuls van rechtspopulisten. Climate Wars zouden het publieke debat kunnen verzieken waardoor we kostbare tijd verliezen. In Nederland is Thierry Baudet (Forum voor Democratie) al begonnen met het openlijk prediken van klimaatscepticisme.
Om deze polarisering te vermijden is het strategisch slimmer om het klimaatthema ideologisch los te koppelen van het ongelijkheidsthema en sociale ongelijkheid terug als een op zichzelf staand probleem te zien[3]. Door die ontkoppeling kunnen er gemakkelijker bruggen geslagen worden tussen links en rechts in het klimaatdebat, waardoor we met meer vereende krachten het probleem kunnen te lijf gaan.
 
VOETNOTEN
[1] In de toekomst kan dit veranderen. Waarschijnlijk zal het stijgende zeepeil voor grote stromen vluchtelingen zorgen gedurende deze eeuw en in dat geval kan je zeker spreken van klimaatvluchtelingen. Bangladesh is op dat vlak een risicoland. Tenzij we tegen dan een oplossing hebben gevonden.
[2] Decarboniseren betekent letterlijk ‘ontdoen van koolstof’. Dit wil zeggen: fossiele brandstoffen vervangen door koolstofarme energiebronnen.
[3] Ik pleit er dus niet voor om de strijd tegen sociale ongelijkheid aan de kant te schuiven, maar wel voor het zuiver houden van het debat.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *