Tegen het universeel basisinkomen (of toch een beetje)

basisinkomen
Vanaf morgen krijg je elke maand 1000 euro op je bankrekening. Voor de rest van je leven. Je zal nooit meer moeten piekeren dat je zonder werk zal vallen of dat je pensioen te laag zal zijn. Jij bent niet de enige gelukkige, iedereen in België krijgt zo’n onvoorwaardelijk basisinkomen. Klinkt dat als een goed idee?
De Nederlandse journalist, Rutger Bregman, heeft met zijn boek Gratis geld voor iedereen (2013) twee jaar geleden het debat over het basisinkomen doen losbarsten. Het is een oud idee, dat ‘weigert te sterven’, en dat ook de huidige harten en geesten in beweging weet te zetten.
 
[polldaddy poll=9021362]
 
Een van de redenen van het succes is dat het streven naar zo’n basisinkomen onderdeel is van de nieuwe ‘golf van emancipatie’. Vrouwen, migranten, holebi’s en mensen met een beperking zijn mondiger geworden en (iets) sterker aanwezig in het maatschappelijk debat. Het basisinkomen biedt de hoop op de verdere emancipatie van een nog veel grotere groep, namelijk de werknemers. De flexibilisering van arbeidsmarkten, de werkonzekerheid en de vaak hoge werkdruk zijn niet echt bevorderlijk voor vervullend en aangenaam werk in deze tijden.

Het basisinkomen zou werknemers minder afhankelijk maken van de grillen van de arbeidsmarkt. ‘Als mensen een basisinkomen zouden hebben, dan zouden ze eerder “nee!” durven zeggen tegen een werkgever die een hongerloon biedt’, zegt Guy Standing, een voorvechter van het idee. ‘Een basisinkomen zou werkgevers en werknemers in staat stellen als volwassenen te onderhandelen.’

Het zou mensen daarbovenop vrijer kunnen maken en hen afhelpen van de meeste geldzorgen. Het zou veel ondernemende mensen eveneens stimuleren om zelfstandig iets te beginnen en te innoveren.
Gratis geld geeft daarmee terug de macht aan de verbeelding. Bregman introduceert een nieuw, verfrissend denken over de maatschappij dat loskomt van ideologische dogma’s (al is Bregman wel een linkse denker). Hij gebruikt inzichten uit de geschiedenis, ecomonie en humane wetenschappen om te laten zien dat onze gedachten over politiek en economie in een keurslijf zitten.

status-quo
Utopisch denken is een manier om in te gaan tegen onze natuurlijke voorkeur voor het status quo.

Het idee van het basisinkomen is daarom bedoeld als een smaakmaker voor meer utopisch denken. Het inspireert mensen om weer terug na te denken over wat goed leven is of hoe een ideale samenleving eruit zou kunnen zien. Daarom zal ik op het einde ook focussen op andere radicale ideeën die het concept van het basisinkomen kunnen aanvullen en verbeteren.
Maar laten we even terugkeren naar het basisinkomen zelf. De functie van het basisinkomen als het wordt ingevoerd in een ontwikkelingsland (bvb. Namibië, India) of middeninkomenland (bvb. Brazilië, Mexico) is in de eerste plaats om armoede te bestrijden. Voor een kleine ondernemer uit New Delhi kan het basisinkomen de noodzakelijke brandstof zijn om zijn een handelszaakje op te starten. Voor een student uit Kaapstad die krap bij kas zit een middel om zijn studies te kunnen betalen. Voor een moeder in Kinshasa een middel om haar kinderen een betere toekomst te geven. Talloze experimenten hebben uitgewezen dat het beter werkt dan het systeem van microkrediet, waar steeds meer kritiek op komt. Met andere woorden een basisinkomen geven is de ideale vorm van ‘empowerment’. Het is de ladder waardoor arme mensen uit het slop van armoede en ongelijke kansen geraken.
poverty-resouce-ladder
De experimenten in ontwikkelingslanden die reeds gedaan zijn, leiden vaak tot spectaculaire successen, zo stelt Bregman:
“In het boek Just Give Money to the Poor (2010) geven onderzoekers van de OESO (de denktank van rijke landen) talloze voorbeelden van succesvol strooien met geld. In Namibië vlogen de ondervoeding (min 25 procent), criminaliteit (min 42 procent) en het spijbelen (van 40 naar bijna 0 procent) omlaag. In Malawi knalde het schoolbezoek van meisjes en vrouwen met 40 procent omhoog, waarbij het niet uitmaakte of er wel of geen voorwaarden werden gesteld.” 
In arme landen heeft het basic income tot hier toe het leven van miljoenen mensen veranderd of zelfs getransformeerd. Het ziet er dus naar uit dat het basisinkomen één van middelen bij uitstek is om de kloof tussen Noord en Zuid langzaamaan te doen dichten.
Het invoeren van een basisinkomen in het Westen lijkt minder vanzelfsprekend en minder noodzakelijk. Het systeem van sociale zekerheid bezorgt miljoenen mensen al een menswaardig(er) leven, ook al bevat het systeem zeker imperfecties. Onder invloed van het neoliberalisme komt de sociale zekerheid echter onder druk te staan. Het motto luidt steeds meer ‘voor wat, hoort wat’. Mensen moeten actief bewijzen dat ze wel effectief recht hebben op sociale voordelen.
De omvang van werkloosheidsfraude wordt echter schromelijk overschat, zowel in de publieke perceptie als bij politici aan de rechterzijde. De zgn. zwarte economie (die naar schatting 16.4% van het BBP bedraagt) en fiscale fraude of belastingontwijking (zie o.a. LuxLeaks) kosten de staat veel meer geld en zijn dus veel schadelijker voor het algemeen belang.
Het controle-en betuttelingsapparaat dat voor werklozen is opgezet bijvoorbeeld, toont desondanks het stijgend wantrouwen tegenover zgn. ‘freeriders’ of ‘werkloze profiteurs’. Omdat die betutteling duur, inefficiënt en stigmatiserend is, wint het idee van het basisinkomen alsmaar meer aanhangers.
Het voordeel van de huidige sociale zekerheid is evenwel dat het maatwerk toelaat, in contrast met het basisinkomen dat voor iedereen hetzelfde is. Wie chronisch ziek is, een handicap heeft of wie veel kinderen heeft, kan op extra steun van de overheid rekenen. Dit systeem zou kunnen behouden worden bij het invoeren van het basisinkomen, maar het is niet duidelijk of dat wel te financieren is. Bovendien blijft een groot deel van de administratieve rompslomp en nood aan controle noodzakelijkerwijs bestaan.
Er is nog een ander bezwaar mogelijk. Francine Mestrum, die uitdrukkelijk gekant is tegen de invoering van een basisinkomen, geeft vaak het voorbeeld van een gokker of verspiller. Stel dat iemand telkens zijn gratis inkomen verspeelt in een casino. Moet de staat zijn gokverslaving dan blijven financieren? Of omgekeerd: moeten we hem aan zijn lot overlaten als hij geen eten meer kan kopen en volledig aan de grond zit?
poker-chips
Het voorbeeld van Mestrum lijkt een dilemma, maar dat is het eigenlijk niet. In zulke gevallen moet het huidig systeem van bescherming en zorg voor mensen die verslaafd zijn blijven bestaan. Er moeten dan logischerwijs ook ‘alarmmechanismen’ zijn die de verslaving van ‘basisinkomers’ snel op het spoor raken. En daar zit hem de knoop. Het voorbeeld toont geen probleem met het basisinkomen, maar met de gokindustrie. Deze moet veel strenger gereguleerd worden zodat mensen beter beschermd zijn tegen het risico op gokverslaving. (zie een later artikel).
Een andere belangrijke vraag is: wie komt er voor het basisinkomen in aanmerking? Met andere woorden: hoe universeel mag of moet het basisinkomen zijn? Het meest logische lijkt om het recht op een basisinkomen enkel voor Belgen of Nederlanders in te stellen. Dit zal echter leiden tot de (verdere) uitsluiting van niet-Belgen. Het fairste is dus toch om het te geven aan alle bewoners van het grondgebied. Dit maakt het systeem wel duurder en complexer.
Het lijkt in de eerste plaats realistischer om het basisinkomen stap voor stap in te voeren, gemeente per gemeente. Het ineens invoeren van ‘gratis geld’ voor iedere Belg of Nederlander, zou tot een zeer onvoorspelbare situatie leiden. Het zou ook ‘basisinkomenmigratie’ kunnen leiden, waarbij de Belgische of Nederlandse nationaliteit opeens enorm gegeerd zou zijn bij buitenlanders. Bovendien creëer je een democratisch draagvlak voor dit idee het best en het gemakkelijkst van onderuit. Daarom is het verstandig om te experimenteren op kleine schaal, zoals men nu plant te doen in verschillende, Nederlandse gemeentes.
Los van deze experimenten, die ongetwijfeld heel leerrijk zullen zijn, pleit ik voor een hervorming van het idee van het basisinkomen. Het stokpaardje van veel voorstanders is dat het inkomen universeel is: zowel voor arm als voor rijk. Iedereen krijgt bvb. 1000 euro per maand en mag onbeperkt bijverdienen. Daardoor zou het stigma verdwijnen dat mensen die nu een of andere uitkering (soms neerbuigend ‘steuntrekkers’ genoemd) opgeplakt krijgen. Als iedereen elke maand 1000 euro op zijn bankrekening of in zijn brievenbus krijgt, hoeft niemand zich er nog voor te schamen.
voordelenbasisinkomen
Het hebben van een basisinkomen kan onze kijk op arbeid radicaal veranderen. Het zou ons werk meer in teken stellen van voldoening en creativiteit, dan van geld verdienen om te kunnen leven.

Opnieuw maakt dit het systeem zeer duur. Onmogelijk is het zeker niet, maar dan moet er een revolutionaire herverdeling van vermogen en welvaart komen, waarbij de rijke 1% of 10% vele malen meer belasting zal moeten betalen dan ze nu doet. Voorlopig zijn de geesten daar nog niet rijp voor en dat kan nog decennia duren.
Het is bovendien zo dat het stigma niet per se verdwijnt. Mensen die ‘het niet maken’ (door pech of door een gebrek aan talent) ondanks hun basisinkomen zullen waarschijnlijk nog meer als failures worden blijven aanzien. Het basisinkomen zou de meritocratie nog erger kunnen maken. ‘Als je zelfs met een basisinkomen nog niet kunt, dan ligt het echt wel aan jou.’
Het is daarom beter om toch de focus eerst liggen op arme gezinnen en alleenstaanden. Ze halen er het meeste nut en welzijn uit. De armoedegrens is niet alleen een financiële, maar ook een psychologische grens. Het is zoals iemand met een gebroken been krukken geven. Niet alleen zal hij beter wandelen, maar ook met meer zelfvertrouwen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *