'Every move you make': toezicht en privacy

“Just because you’re paranoid, doesn’t mean they’re not after you”
Joseph Heller

De discussie over privacy draait vaak rond de vraag of we de overheid kunnen vertrouwen. Het draait eveneens om de vraag hoe veilig de publieke ruimte is om er informatie over onszelf in los te laten. Voor de overheid wordt soms de, ietwat paranoïde, metafoor gebruikt van een alziend oog dat uit is op de totale controle van het leven van haar burgers. De sociale ruimte wordt op zijn beurt dikwijls gezien als een jungle waarin informatie over anderen verkrijgen een vorm van macht is. De informatie die we vrijgeven aan de verkeerde personen kan dan tegen ons gebruikt worden.
Om de veiligheid te garanderen gaat de overheid op zoek naar informatie over haar burgers. Dit doet ze onder meer door middel van toezicht. De filosoof Sorell definieert toezicht (‘surveillance’) als de observatie van andere mensen, soms door middel van technologie. Dit soort observatie verschilt van een gewone observatie (bvb. gewoon door het raam kijken naar mensen die op straat voorbijlopen) in de zin dat de observator kijkt met een bepaald doel. Hij wil een bepaalde vraag beantwoord zien door zijn blik te richten op één bepaalde persoon, op een groep personen of op een welbepaald gebied in de ruimte. Toezicht gebeurt op een systematische manier: er zit vaak een methode achter.
CCTV
Wat is er verkeerd aan dit soort toezicht of wat kan er verkeerd aan zijn? Sommigen oordelen dat een overdreven en alomtegenwoordig toezicht op de gedragingen van mensen in openbare ruimtes een inbreuk vormt op het recht op privacy.  Het geeft de indruk dat de overheid  burgers wantrouwt, dat ze haar burgers a priori verdacht vindt. Een ander bezwaar tegen ver doorgedreven toezicht is dat burgers ook recht hebben op privacy in openbare ruimtes. Indien ze dat recht niet hebben, zullen mensen zich op de duur niet meer spontaan kunnen gedragen en zich ongemakkelijk beginnen voelen door de constante aanwezigheid van camera’s of toezichthoudende autoriteiten. Er bestaat dus wel zoiets als een recht op privacy in een publieke ruimte, maar dit soort recht zullen we minder absoluut kunnen invullen dan het recht op privacy in de gebruikelijke zin (bvb. in een huiselijke context).
Wat houdt het recht op privacy in? Sommige zaken mogen terecht aan de publieke sfeer onttrokken worden. Tot de private sfeer behoort al hetgeen wat om gerechtvaardigde redenen verborgen mag blijven voor de blik van anderen of de blik van de overheid. Er zijn drie soorten ‘privésferen’ in ons leven: de huiselijke sfeer, het naakte, onbedekte lichaam en onze geest. Het zijn zones waar verborgenheid en niet-blootstelling (non-exposure) gerechtvaardigd zijn. Deze ruimtes zijn privé in de zin dat niemand ze zomaar mag binnendringen zonder de toestemming van degene die over die privéruimte beschikt. Sinds de komst van internet en sociale media rijst voortdurend de vraag waar juist de grens ligt tussen een legitieme en een ongeoorloofde schending van de privésfeer.

girl-body-scanner_t700
Wat als er perverten zitten tussen douaniers?

De privacy van ons blote lichaam is biologisch gezien vreemd. We zijn immers de enige diersoort die kleren draagt. Naast de evidente bescherming tegen kou, is het bedekken van ons lichaam ook bedoeld om geen seksuele aandacht (of toch niet te veel en te direct) te wekken van anderen. In onze complexe sociale interacties is die aandacht meestal ongewenst. Mensen zullen zich echter ook ongemakkelijk of bedreigd voelen als ze naakt staan voor mensen die geen potentiële partners zijn (vandaar het protest tegen zgn. ‘body scans’ bij sommige douanecontroles). Onze naaktheid is het ultieme symbool van onze kwetsbaarheid.  Schroom over onze naaktheid tegenover anderen wordt in bijna elke cultuur van jongs af aangeleerd (al variëren culturen wel in hun normen over welke lichaamsdelen wel en niet getoond mogen worden).
De privacy van onze geest garanderen is misschien wel het allerbelangrijkste. De geest is een bron van oordelen en opvattingen over de wereld. Ze is bovendien een autonome bron van je eigen opvattingen. Iedereen moet daarvoor over een ruimte beschikken waarin hij vrij kan experimenteren met allerlei oordelen en opvattingen. Niemand mag bijvoorbeeld verplicht worden om zijn politieke gedachten en zijn gedachten over anderen aan om het even wie bloot te geven. Een situatie waarin onze gedachten niet langer privé zijn zou eruitzien zoals de film The Invention Of Lying met Ricky Gervais. Daarin kunnen mensen niet langer liegen en spreken ze constant gênante waarheden over zichzelf en anderen uit. De film is grappig, maar toont tegelijk ook een zeer deprimerende wereld waarin privégedachten eigenlijk niet meer bestaan.
De charme van het sociale leven bestaat er vaak in om op subtiele manieren te weten te komen wat anderen denken (via allerlei tekens, gebaren, via lichaamstaal…). Mysterie en ambiguïteit over wat er in de ander omgaat, maken sociale interactie spannend en boeiend.
Leven in een samenleving zonder privacy zou zijn zoals vertoeven in een fel verlichte kamer zonder schaduwen: allesbehalve gezellig dus. Zonder privacy zouden we ook niet meer op onszelf kunnen zijn. Dit zou zowel onze gemoedsrust als onze creativiteit ondermijnen. Talent ontwikkelt zich immers vaak in eenzaamheid, zoals Goethe al wist.
In Big Brother-scenario’s zoals het boek 1984 van George Orwell krijgen we zo’n ‘overbelichte samenleving’. Er is sprake van een gedachte-politie die controleert of een individu niet afwijkt van de orthodoxie die de Staat hem oplegt. Wie rebelleert tegen de orthodoxe opvattingen en manier van leven opgelegd door de autoriteiten, wordt weggezuiverd uit de maatschappij. De angst voor zo’n totalitair systeem van toezicht en controle, zoals dat in de praktijk gebracht werd door de Stasi in het DDR-regime, zorgt sindsdien voor wantrouwen tegenover privacy-schendingen door de overheid.
In Westerse landen wordt er steeds meer gebruik gemaakt van CCTV-camera’s om het gedrag van mensen te observeren die op straat rondlopen of om verkeersovertreders te klissen. De analogie met de Big Brother-staat gaat wel niet (volledig) op omdat er geen gecentraliseerd toezicht is. De camera’s worden gebruikt in supermarkten, tankstations, openbare gebouwen en op straat, maar allemaal door verschillende personen of instanties. De ene keer door een winkelier of magazijnier, de andere keer door een veiligheidsinspecteur of een politieambtenaar. Om de Stasi-analogie te doen kloppen, zou de informatie die de camera’s verstrekken, bij een centraal punt moeten worden samengebracht. Bovendien zou die informatie gebruikt moeten worden voor een sinister doel. In werkelijkheid worden CCTV-camera’s meestal gebruikt voor een legitiem doel, zoals het aanpakken van kleine of grote criminaliteit.
daslebenderanderen03dx6
Inlichtingendiensten en geheime agenten vormen de voornaamste bron van wantrouwen in de overheid.  Door de onthullingen van Snowden over de afluisterpraktijken van de NSA, komen opnieuw associaties met de Stasi naar boven.

De aanwezigheid van camera’s op neutrale publieke plaatsen stoort de meeste mensen weinig. De camera’s zijn meestal vrij goed zichtbaar en registreren meestal toch triviale, weinig onthullende activiteiten zoals ergens voorbij wandelen of je auto tanken. Wanneer de overheid heimelijk toezicht uitoefent dat bovendien op grote schaal gebeurt, gaan er natuurlijk wel veel alarmbellen rinkelen bij burgers. Een gezond wantrouwen tegenover de overheid is dus een must zoals ook de praktijken van de NSA onlangs aantoonden. Anders komen we op een gevaarlijk hellend vlak terecht. Het gevaar dat overheden het recht op privacy steeds meer afkalven, is zeker reëel en kan enkel door alerte burgers worden voorkomen. De spionage-mogelijkheden die het internet biedt, maken echter dat in de praktijk bijna enkel informatica-specialisten de rol van klokkenluider kunnen opnemen.
In de publieke ruimte is de behoefte aan privacy gemilderd door de komst van sociale media, waar mensen zichzelf soms verregaand blootgeven aan een breed netwerk van vrienden, kennissen en vreemden (hun Facebook-vrienden bvb.). Bij sommigen ontstaat er ergernis over het narcisme, de drang tot zelfprofilering die op sociale media wordt tentoongespreid. Die ergernis is terecht, maar vaak vergeet men dat in het echte sociale leven zelfprofilering ook heel belangrijk is. Vanaf onze jeugd bestaat er een maatschappelijke druk om onszelf goed te presenteren en te verkopen (gaande van spreekbeurten, sollicitaties tot iemand verleiden). Omdat bij Facebook die ‘verkooptechnieken’ in de vorm van statusupdates meer rechttoe rechtaan zijn, worden ze vaker geïnterpreteerd als narcisme.
selfie
Die ‘schaamteloosheid’ van sociale media-gebruikers is niet per se iets dat enkel en alleen tot oppervlakkig narcisme leidt. Het kan mensen een uitlaatklep bieden om hun identiteit virtueel te beleven en te ontwikkelen. Internet en sociale media zijn heel laagdrempelig, waardoor verlegen mensen bijvoorbeeld meer gelijkgezinden vinden en zo meer zelfvertrouwen kunnen opdoen. In een samenleving waar mensen alle persoonlijke dingen voor zich houden – of in een kleine, besloten kring- ontstaat er meer eenzaamheid en wederzijdse paranoia. Bovendien kan diversiteit binnen je vriendengroep op Facebook de scheiding tussen sociale klassen minder scherp maken.  Omgekeerd zullen mensen meer ten prooi vallen aan wantrouwen en onwetendheid als de sociale eilandjes alles voor zich houden.
In de verhouding tussen burgers en overheid is het recht op privacy een heel belangrijk middel om de drang van de overheid om zijn macht uit te breiden, in te perken. In de (virtuele) publieke sfeer is de drang tot privacy soms echter een hinderpaal voor open communicatie. Doordat sociale media de drang naar openheid hebben gevoed, kunnen ze voor meer open communicatie zorgen in onze samenleving. De schaamteloosheid en het narcisme die soms opduiken moeten we er maar bij nemen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *